Staphylococcus Aureus Symptomen

Staphylococcus Aureus Symptomen
Staphylococcus aureus is een bacterie, die een voedselvergiftiging kan veroorzaken. Klachten komen vaak al na enkele uren in de vorm van heftig braken en soms diarree. Veel mensen zijn drager van deze bacterie, maar worden er niet ziek van. Door handen goed te wassen, niet op het eten te hoesten of te niezen en levensmiddelen goed koud te bewaren kan een besmetting worden voorkomen.

Hoe gevaarlijk is Staphylococcus?

Wat zijn symptomen van Staphylococcus aureus ? – De ziekteverschijnselen bij de mens zijn heel verschillend. We kunnen ze verdelen in huidinfecties, invasieve infecties (infecties in het lichaam) en voedselvergiftiging. Huidinfecties kunnen oppervlakkig zijn, zoals bijvoorbeeld krentenbaard (impetigo).

Dieper in de huid kunnen ook infecties ontstaan, bijvoorbeeld in een wond. Ook steenpuisten, ontstoken nagelriemen, borstontsteking en cellulitis (niet de sinaasappelhuid, maar een ontsteking van de opperhuid en het huidvet) zijn voorbeelden hiervan. De bacterie kan dieper in het lichaam komen en verschillende ziektebeelden veroorzaken, zoals bloedvergiftiging, endocarditis (ontsteking aan de hartkleppen), abcessen, botontsteking, gewrichtsontsteking en longontsteking.

Sommige Staphylococcus aureus -bacteriën kunnen giftige stoffen (toxinen) aanmaken. Als deze gifstoffen in de bloedbaan terecht komen kunnen zij verschillende ziektebeelden veroorzaken. De belangrijkste zijn het toxische-shocksyndroom en voedselvergiftiging.

Hoe kom je van stafylokokken af?

Stafylococcen dragerschap Staphylococcus aureus is een bacterie die tot de normale huidflora van de mens hoort. Daarnaast is het een beruchte veroorzaker van zoals steenpuisten () en wondinfecties na een operatie. Van de normale bevolking is 20% langdurig (levenslang) drager, 60% af en toe drager, en 20% nooit.

Drager zijn wil zeggen dat de bacterie in de neus en op de huid zit, vaak ook op het perineum, Als de bacterie in de neus zit wordt hij ook vaak op de vingertoppen aangetroffen (bij 13% van de neusdragers versus 4% van de niet-neusdragers). Bij neusdragers van stafylokokken is het risico op postoperatieve infecties verhoogd (RR 7.1; 95% betrouwbaarheidsinterval 4.6-11).

In de Nederlandse huisartsenpraktijk wordt bij ongeveer 25% van de patiënten een stafylokok in de neuskweek gevonden.

S. aureus furunculosis

Foto links: dr. Graham Beards – Wikimedia (Creative Commons License ). In 1% van deze kweken werd een meticillineresistente Staphylococcus aureus ( MRSA ) aangetroffen. De laatste jaren worden in de algemene bevolking toenemend gemeld, waarbij geen verband met verblijf in een ziekenhuis of verpleeghuis werd gevonden (community associated-MRSA). Een belangrijke besmettingsbron is de varkenshouderij, Circa 40% van de Nederlandse varkens heeft MRSA. MRSA wordt verhoogd aangetroffen in neuskweken onder varkenshouders (>20%) en dierenartsen (5%). Een andere groep met een (tijdelijk) verhoogd risico op MRSA-dragerschap zijn patiënten die korter dan twee maanden geleden opgenomen zijn geweest in een buitenlands ziekenhuis en er werden geopereerd of er langer dan 24 uur werden verpleegd. Dit geldt ook voor patiënten die in het buitenland een katheter of drain kregen of werden geïntubeerd. In een groot aantal landen is het aantal MRSA-infecties in ziekenhuizen 20% of hoger; in Nederland is dit minder dan 1%. Indicaties voor behandeling van Stafylokokken dragerschap Eliminatie is raadzaam bij recidiverende furunculose, folliculitis, recidiverende impetiginisatie van atopisch eczeem, recidiverende pyodermieën bij afweerstoornissen, bij klepvitium of gewrichtsprothesen en preventief voorafgaand aan orthopedische ingrepen. Eliminatie is moeilijk, een antibioticakuur (meestal flucloxacilline) bestrijdt infecties maar het reservoir in de neus of op het perineum kan aanwezig blijven en herbesmetting veroorzaken. Stafylokokken dragerschap is te bestrijden met hygiënische maatregelen zoals dagelijks wassen met water en zeep (Hibiscrub of betadine jodiumzeep), het aanbrengen van antiseptische zalven (fucidine, mupirocine, chloorhexidine) in de neusgaten en eventueel op het perineum, dagelijks schone handdoeken, regelmatig schoon beddegoed en kleding heet wassen. Therapie: R/ Hibiscrub (chloorhexidine zeepoplossing 40 mg/ml), dagelijks wassen gedurende 5 dagen.R/ betadine jodium zeep, dagelijks wassen gedurende 5 dagen, ook voor de haren (betadine jodium shampoo).R/ chloorhexidine 1% zalf of Fucidin (fusidinezuur) zalf of fucidinegel (Fusithalmic ooggel) in de neus (en eventueel) op het perineum.R/ Bactroban (mupirocine 2%) zalf en neuszalf. De basis van de gewone zalf (polyethyleen glycol) is niet comfortabel voor gebruik op slijmvliezen of in de neus, de speciale Bactroban 2% neuszalf met vaseline-glycerine-ester basis wel. Gedurende 5 dagen 3 dd een kleine hoeveelheid neuszalf in beide neusgaten aanbrengen, vervolgens neusvleugels dichtdrukken. Behandeling van S. aureus dragerschap. Duur behandeling: 5 dagen.

Mupirocine neuszalf (Bactroban) 3 maal daags in beide neusgaten aanbrengen. Een kleine hoeveelheid op de pink doen, vervolgens aanbrengen in ieder neusgat tot zover je kunt komen, zonder diep door te drukken. Door vervolgens de neusgaten dicht te knijpen wordt de zalf goed verdeeld. Na toediening de handen goed wassen.
Dagelijks het hele lichaam en ook de haren wassen met desinfecterende zeep (Hibiscrub, chloorhexidine zeepoplossing 40 mg/ml). Extra aandacht besteden aan de hals, het gebied rond de neus, de oren, de anus en het perineum, onder de borsten, de oksels en de navel, de handen, tussen de vingers, rond en onder de nagels. Zeep aanbrengen op een bevochtigde huid en enige minuten in laten trekken. Vervolgens goed afspoelen. In plaats van Hibiscrub kan ook betadine jodium zeep oplossing en betadine jodium shampoo worden gebruikt.
Regelmatig de handen wassen met Hibiscrub.
Dagelijks schoon ondergoed, kleding, pyjama, schone handdoek en schoon washandje gebruiken.
Op dag 1, 2 en 5 van de kuur beddengoed verschonen.

Hoe om te gaan met steenpuisten en huidinfecties

Geïnfecteerde plekken altijd goed afdekken en 3 keer per dag verschonen en met chloorhexidinecrème behandelen.
Verbandgaas zo snel mogelijk in een plastic boterhamzakje in een vuilcontainer gooien.
Na elke behandeling de huid rondom de geïnfecteerde plek ruim met alcohol 80% desinfecteren (schoonmaken).
Na verzorging of contact met de infectieplaats uw handen desinfecteren met handalcohol of heel goed wassen.
Zo veel mogelijk katoenen kleding dragen die heet gewassen kan worden en handdoeken éénmalig gebruiken en heet wassen (boven 60° C).
Wekelijks schoon beddengoed gebruiken en dit heet wassen (boven 60° C).

Algemene hygiënische maatregelen (om herbesmetting vanuit de omgeving te voorkomen)

Alle kleding, beddengoed, handdoeken enz. boven de 60° C wassen.
Kleding waarbij dit niet mogelijk is, zoals wollen truien, buiten luchten (liefst in wind en zon) en op lagere temperatuur wassen.
Alle gordijnen, dekens, dekbedden en vloerkleden langdurig luchten (liefst in wind en zon). Zo mogelijk wassen. Alles wat onder punten 1-3 genoemd is, in plastic vuilniszakken bewaren of buiten laten hangen tot huis verder schoongemaakt en gedesinfecteerd is.
In huis van boven naar beneden alle gladde horizontale oppervlakken met chlooroplossing afnemen, gladde vloeren met chlooroplossing dweilen.
Alle plaatsen die aangeraakt worden (deurkrukken, toetsenbord, telefoon enz.) zo veel mogelijk met chlooroplossing afnemen.
De lege klerenkasten met chlooroplossing uitnemen.
Zeer goed alle vloerbedekking zuigen (liefst meerdere malen).
Zodra al deze handelingen zijn gedaan, kunnen kleding, gordijnen enz. weer naar binnen.
Na elke toiletgang de handen goed wassen.
Handdoeken voor afdrogen van het lichaam en washandjes éénmalig gebruiken, niet delen met andere personen en heet wassen (min.60 graden).
Eventuele oorbellen en piercings verwijderen en desinfecteren (70% alcohol) en pas weer indoen na afsluiten behandeling.

Adviezen betreffende sociale contacten

Geen beperkingen in contacten binnen het gezin.
Als behandeling niet is gelukt eventueel gezinsleden kweken om te bepalen of zij ook besmet zijn geraakt en de reden van herbesmetting kunnen zijn. In dat geval kan het nodig zijn alle besmette gezinsleden mee te behandelen. Zelden noodzakelijk.
De kans op overdracht in normaal sociaal verkeer zonder intensieve lichamelijke contacten is zeer gering. Bovendien ontstaat blijvend dragerschap slechts zelden.

Referenties

1. NHG standaard bacteriële huidinfecties.

Auteur(s): dr. Jan R. Mekkes. Dermatoloog, Amsterdam UMC. : Stafylococcen dragerschap

Is Staphylococcus aureus besmettelijk?

Verwekker: Staphylococcus aureus (grampositieve bacterie), sommige meticillineresistent ( MRSA ). Besmettingsweg: Direct contact via de handen, aerogeen (huidschilfers, aerosolen), secundaire bronnen in directe omgeving. Incubatieperiode: Niet benoembaar. Besmettelijke periode: Niet benoembaar.

Hoe lang duurt stafylokokken?

Patiënteninformatie SAB Staphylococcus aureus bacterie en bloedbaaninfectie Staphylococcus aureus komt veel voor Veel mensen dragen de bacterie Staphylococcus aureus bij zich. Vaak in de neus, soms in de darmen. Meestal veroorzaakt deze bacterie geen problemen.

  1. Als de huid beschadigd is, kan de bacterie infecties veroorzaken.
  2. Ook bij wonden, bijvoorbeeld na een operatie, kan Staphylococcus aureus voor infecties zorgen.
  3. De bacterie is de meest voorkomende oorzaak van wondinfecties na operaties.
  4. De meeste infecties zijn niet ernstig en gaan na behandeling over.

Sommige infecties zijn ernstig Soms veroorzaakt de bacterie wel een ernstige infectie. Bijvoorbeeld van de huid, botten, gewrichten (zoals knie of heup), longen en hartkleppen. Een bloedbaaninfectie is gevaarlijk De bacterie kan ook een infectie in de bloedbaan veroorzaken: Staphylococcus aureus bacteriëmie.

Dan kan de bacterie zich verspreiden door het lichaam. Zo kan op verschillende plaatsen een infectie ontstaan. De patiënt krijgt dan hoge koorts, is soms verward en heeft een lage bloeddruk. Dit gebeurt vaak heel snel en kan gevaarlijk zijn. Eén op de vijf mensen overlijdt hieraan. Drieduizend Nederlanders krijgen een ernstige infectie Tussen de 20 en 40 procent van de Nederlanders zijn drager van de Staphylococcus aureus.

Elk jaar krijgen ongeveer drieduizend mensen een ernstige infectie waarbij de bacterie in de bloedbaan wordt gevonden. De diagnose gebeurt door bloedonderzoek Om zeker te weten dat deze bacterie de oorzaak is van een infectie moet een bloedkweek worden gedaan, een uitgebreid bloedonderzoek in het laboratorium.

Deze bloedkweek wordt na een paar dagen opnieuw gedaan. Dan wordt duidelijk of de bacterie verdwijnt door de behandeling. Er wordt vaak ook onderzoek gedaan naar het hart en andere organen, omdat de bacterie daar voor ernstige problemen kan zorgen. Welk onderzoek wordt gedaan hangt af van de klachten. De infectie wordt behandeld met antibiotica Als de patiënt ernstig ziek is door een infectie met de bacterie wordt hij of zij meestal in het ziekenhuis opgenomen.

Ook als de bacterie zich in de bloedbaan bevindt, wordt de patiënt opgenomen. Een infectie wordt behandeld met antibiotica (penicilline). Soms is daarnaast een operatie nodig, bijvoorbeeld om pus weg te halen. De antibioticakuur wordt met een infuus gegeven en duurt minstens veertien dagen.

Als de infectie zich verspreid heeft naar andere organen zoals de hartkleppen, moet er langer worden behandeld. Er is extra risico bij kunstmateriaal in het lichaam Staphylococcus aureus hecht zich snel aan kunstmateriaal in het lichaam, bijvoorbeeld een infuus, maar ook een kunstgewricht, kunstklep, kunststof bloedvat of pacemaker.

Het risico op een infectie is dan groter. Ook voor mensen met weinig weerstand is de bacterie gevaarlijk. Zij worden sneller ernstig ziek. Besmetting is moeilijk te voorkomen Doordat de bacterie op veel plaatsen aanwezig is, is besmetting bijna niet te vermijden.

  1. Je kunt jezelf besmetten maar je kunt ook worden besmet door een ander.
  2. In het ziekenhuis is de kans op besmetting groter.
  3. Bij veel mensen wordt een infectie met deze bacterie nog te laat herkend.
  4. Dat zorgt ervoor dat de infectie ook niet goed wordt behandeld.
  5. De kans op ernstige problemen is daardoor groter.

: Patiënteninformatie SAB

Is Staphylococcus aureus dodelijk?

Staphylococcus aureus bacteriëmie –

12.3.1 Kwaliteitsindicator Melding Staphylococcus aureus bacteriëmie aan de hoofdbehandelaar. 12.3.2 Kwaliteitsindicator Snel behandelen Staphylococcus aureus bacteriëmie.

Staphylococcus aureus is een belangrijke verwekker van zowel ziekenhuisinfecties als infecties die zijn opgelopen buiten het ziekenhuis. Staphylococcus aureus is een belangrijke verwekker van infecties die zijn opgelopen binnen en buiten het ziekenhuis.

Wat is de meest gevaarlijke bacterie?

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft voor het eerst een lijst gepubliceerd met de 12 gevaarlijkste bacteriënfamilies voor de mens, allemaal bacteriën die in grote mate resistent zijn tegen antibiotica. De WHO wil met de opsomming de strijd aangaan tegen die resistente bacteriën. De WHO heeft de lijst van 12 opgedeeld in drie categorieën, naargelang de prioriteit: kritiek, hoog en middelhoog. Vaak zijn de bacteriën multiresistent. Op nummer 1 van de lijst staat volgens de organisatie de Acinetobacter baumannii, een ziekenhuisbacterie.

Hoe snel werkt antibiotica bij stafylokokken?

Mupirocine doodt bacteriën, met name stafylokokken en streptokokken. Dit zijn bacteriën die vooral op huid en slijmvliezen voorkomen. Na een paar dagen merkt u dat de infectieverschijnselen afnemen.

Kan een bacterie vanzelf verdwijnen?

Als een voor het lichaam onbekende bacterie binnendringt, kan dit een infectie veroorzaken. Infecties door bacteriën kunnen ernstiger verlopen dan infecties door virussen, maar de meeste infecties door bacteriën gaan vanzelf over.

Welke antibiotica bij Staphylococcus aureus?

Onderbouwing – In het algemeen wordt intraveneus toegediende flucloxacilline beschouwd als de optimale behandeling van een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie. Volgens sommige auteurs is behandeling met een eerste generatie cefalosporine echter net zo goed of beter.

  1. Anderen wijzen dit af onder verwijzing naar het zogenaamde inoculum effect waarbij bij infecties met hoge inocula zoals endocarditis, cefalosporines worden gehydrolyseerd door S.
  2. Aureus β-lactamases.
  3. Of het combineren van flucloxacilline met gentamicine beter is dan flucloxacilline alleen is een ander twistpunt.

Vancomycine wordt beschouwd als inferieur t.o.v. flucloxacilline voor de behandeling van MSSA- S. aureus bacteriëmie. Over de duur van de behandeling van een ongecompliceerde S. aureus bacteriëmie is men het meestal eens: 14 dagen. Ter informatie: in het verloop van deze module zal, waar nodig, de term penicillinase-resistente penicilline (PRP) gebruikt worden om de volgende typen antibiotica aan te duiden: flucloxacilline; nafcilline; cloxacilline; en oxacilline.1.

Zeer laag GRADE Voor volwassen patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Recidief S. aureus bacteriëmie Er zijn aanwijzingen dat behandeling van een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met vancomycine geassocieerd is met meer recidieven in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines. Bron: Chambers et al., 1988; Fortún et al., 2001; Chang et al., 2003; Siegman-Igra et al., 2005

table>

Zeer laag GRADE Voor volwassen patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Mortaliteit Er zijn aanwijzingen dat behandeling van een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met vancomycine geassocieerd is met meer sterfte in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines. Bron: Gentry et al., 1997; González et al., 1999

table>

Zeer laag GRADE Voor volwassen patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Duur ziekenhuisopname Er zijn aanwijzingen dat behandeling van methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met vancomycine geassocieerd is met een langere ziekenhuisopname in vergelijking met behandeling met nafcilline. Bron: Gentry et al., 1997

table>

Zeer laag GRADE Voor volwassen patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Bijwerkingen medicatie Er zijn geen aanwijzingen dat er een verschil is in het optreden van nefrotoxiciteit tussen behandeling van methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met vancomycine in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines. Bron: Gentry et al.1997; Fortún et al.2001

2. Flucloxacilline versus cefazoline

Zeer laag GRADE Voor volwassen patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Recidief S. aureus bacteriëmie Er zijn geen aanwijzingen dat behandeling van een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met cefazoline geassocieerd is met meer recidieven in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines. Bron: Renaud et al., 2011; Li et al., 2014; Bai et al., 2015; McDanel et al., 2017

table>

Zeer laag GRADE Voor volwassen patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Mortaliteit Er zijn geen aanwijzingen dat behandeling van een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met cefazoline geassocieerd is met meer sterfte in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines. Bron: Lee et al., 2011; Paul et al., 2011; Renaud et al., 2011; Li et al., 2014; Bai et al., 2015; McDanel et al., 2017

table>

Zeer laag GRADE Voor volwassen patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Duur ziekenhuisopname Er zijn geen aanwijzingen dat behandeling van een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met cefazoline is geassocieerd met een langere ziekenhuisopname in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines. Bron: Renaud et al., 2011; McDanel et al., 2017

table>

Zeer laag GRADE Voor volwassen patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Bijwerkingen medicatie Er zijn geen aanwijzingen dat behandeling van een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met cefazoline is geassocieerd met meer bijwerkingen in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines. Bron: Lee et al., 2011; Renaud et al., 2011; Li et al., 2014

3. Flucloxacilline versus flucloxacilline plus aminoglycoside

Zeer laag GRADE Voor patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Recidief S. aureus bacteriëmie Er zijn geen aanwijzingen dat behandeling van methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met penicillinase-resistente penicillines in combinatie met een aminoglycoside leidt tot minder recidieven in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines alleen. Bron: Korzeniowski et al., 1982; Ribera et al., 1996

table>

Zeer laag GRADE Voor patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Mortaliteit Er zijn geen aanwijzingen dat behandeling van methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met penicillinase-resistente penicillines in combinatie met een aminoglycoside leidt tot minder sterfte in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines alleen. Bron: Korzeniowski et al., 1982; Ribera et al., 1996; Hughes et al., 2009

table>

Zeer laag GRADE Voor patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Duur ziekenhuisopname Er zijn geen aanwijzingen dat behandeling van methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met cloxacilline in combinatie met gentamicine geassocieerd is met een verschil in duur van ziekenhuisopname in vergelijking met behandeling met cloxacilline alleen. Bron: Hughes et al., 2009

table>

Zeer laag GRADE Voor patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Bijwerkingen medicatie Er zijn aanwijzingen dat behandeling van een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie met penicillinase-resistente penicillines in combinatie met een aminoglycoside geassocieerd is met meer bijwerkingen in vergelijking met behandeling met penicillinase-resistente penicillines alleen. Bron: Korzeniowski et al., 1982; Ribera et al., 1996 Hughes et al., 2009

4. ( 2 weken IV antibiotica)

GRADE niet te beoordelen Voor patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Recidief S. aureus bacteriëmie Op basis van bestaand onderzoek kan geen uitspraak gedaan worden over de optimale duur van behandeling van methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie. Bron : Raad et al., 1992; Khosrovaneh et al., 2005; Thomas et al., 2005; Kreisel et al., 2006; Landman et al., 2011; Chong et al., 2013; Kempley et al., 2015

table>

GRADE niet te beoordelen Voor patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Mortaliteit Op basis van bestaand onderzoek kan geen uitspraak gedaan worden over de optimale duur van behandeling van methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie. Bron: Zeylemaker et al., 2001; Jensen et al., 2002; Fätkenheuer et al., 2004; Chong et al., 2013; Kempley et al.2015

table>

– Voor patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Duur ziekenhuisopname Er werden geen studies geïdentificeerd waarin duur van ziekenhuisopname werd gehanteerd als uitkomstmaat.

table>

– Voor patiënten met methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie Bijwerkingen medicatie Er werden geen studies geïdentificeerd waarin bijwerkingen van medicatie werden gehanteerd als uitkomstmaat.

Leeswijzer: Hieronder worden de vier systematic review gepresenteerd. Op het einde van iedere review staan de conclusies.1. Flucloxacilline versus vancomycine Ter informatie: zie de evidence tabellen voor gedetailleerde informatie over het risico op bias per studie.

  • Voor gedetailleerde informatie betreffende studiepopulatie, interventie, uitkomstmaten en resultaten zie de evidence tabellen.
  • Voor deze samenvatting zijn in elke studie alleen de data geëxtraheerd die betrekking hebben tot de huidige PICO vraagstelling.
  • Beschrijving studies Drie van de zes geïncludeerde studies betroffen prospectieve observationele cohort studies (González et al., 1999; Chang et al., 2003; Siegman-Igra et al., 2005).

Twee studies betroffen interventiestudies, waarvan één wel randomiseerde (Fortún et al., 2001) en de ander niet (Chambers et al., 1988). De studie van Gentry et al. (1997) betrof een retrospectieve cohort studie. Studiepopulaties (Tabel 2) De studiepopulaties varieerden sterk tussen de studies.

  • In Tabel 2 hieronder zijn de meest differentiërende in- en exclusiecriteria weergegeven.
  • Drie studies includeerden alleen patiënten met endocarditis (Chambers et al., 1988; Gentry et al., 1997; Fortún et al., 2001), één studie richtte zich op patiënten met bacteriëmische S.
  • Aureus pneumonie (González et al., 1999) en twee studies includeerden alle patiënten met een positieve bloedkweek met S.

aureus (Chang et al., 2003; Siegman-Igra et al., 2005). Van deze laatste twee studies werden in één studie patiënten met endocarditis geëxcludeerd voor de analyse betreffende de antibiotica (Chang et al., 2003). Tabel 2 Studiepopulaties

Inclusiecriteria Exclusiecriteria
Chambers 1988
  • Rechtszijdige S. aureus endocarditis
  • Parenteraal drugsgebruik
– Aanwezigheid infectieuze complicatie (zoals osteomyelitis)
Gentry 1997 – Mogelijke of bewezen S. aureus endocarditis o.b.v. Duke criteria
González 1999 – Bacteriëmische S. aureus pneumonie
Fortún 2001
  • Rechtszijdige S. aureus endocarditis
  • Parenteraal drugsgebruik
  • Extrapulmonale strooihaard
  • Polymicrobiële infectie
Chang 2003 – S. aureus bacteriëmie
  • Polymicrobiële bloedkweek
  • Endocarditis
Siegman-Igra 2005 – S. aureus bacteriëmie

Interventies (Tabel 3) De onderzochte interventies waren uiteenlopend (zie Tabel 3 hieronder). Dosering en type antibiotica varieerden tussen studies. Daarnaast werd de exacte duur en/of dosering van behandeling in een deel van de studies niet beschreven (Gentry et al., 1997; González et al., 1999; Chang et al., 2003).

Verder werd niet altijd beschreven in welke studiegroep een patiënt werd ingedeeld in het geval van switch tussen typen antibiotica tijdens de behandeling (González et al., 1999; Siegman-Igra et al., 2005). Omdat vancomycine is vergeleken met verschillende soorten penicillinase-resistente penicillines (nafcilline en cloxacilline), zal deze laatstgenoemde groep op een aantal plaatsen in de samenvatting overkoepelend benoemd worden als penicillinase-resistente penicillines (PRP).

Tabel 3 Onderzochte interventies

Interventie Controle Dosering
S. aureus endocarditis
Chambers 1988 Vancomycine-tobramycine Nafcilline-tobramycine Bekend*
Gentry 1997 Vancomycine-gentamicine Nafcilline-gentamicine Deels bekend*
Fortún 2001 Vancomycine-gentamicine Cloxacilline-gentamicine Bekend*
Bacteriëmische S. aureus pneumonie
González 1999 Vancomycine Cloxacilline Onbekend
S. aureus bacteriëmie
Chang 2003 Vancomycine Nafcilline Onbekend
Siegman-Igra 2005 Vancomycine Cloxacilline Bekend*
*zie de evidence tabellen voor details

Recidief S. aureus bacteriëmie In vier studies werd de uitkomstmaat recidief S. aureus bacteriëmie gehanteerd (Chambers et al., 1988; Fortún et al., 2001; Chang et al., 2003; Siegman-Igra et al., 2005). Chambers et al. (1988) definieerde recidief endocarditis niet en hanteerde wisselende follow-up tijden.

Fortún (2001) definieerde een recidief bacteriëmie als een positieve bloedkweek met S. aureus na het stoppen van behandeling, met onbekende follow-up duur. Chang et al. (2003) hanteerde een follow-up duur van zes maanden voor patiënten met S. aureus bacteriëmie en een follow-up duur van drie jaar voor S.

aureus endocarditis patiënten. De volgende definitie werd gehanteerd voor recidief: terugkeer van S. aureus bacteriëmie na negatieve bloedkweken of klinische verbetering. Hierbij werd pulsed-field gel elektroforese (PFGE) gebruikt om te bevestigen dat het ging om hetzelfde genotype (Chang et al., 2003).

  • Siegman-Igra et al.
  • 2005) definieerde recidief S.
  • Aureus bacteriëmie als een positieve bloedkweek met S.
  • Aureus na negatieve bloedkweken of na klinisch herstel met ontslag uit het ziekenhuis, waarbij enkele recidieven alsnog werden geëxcludeerd op basis van kliniek en resistentiepatroon (deze werden beschouwd als re-infectie en niet als recidief).

Exacte follow-up duur is onbekend. In alle vier studies was de puntschatter in het voordeel van de β-lactam antibiotica (zie Figuur 1, 2 en 3). Slechts in één studie (Chambers et al., 1988) was het gevonden voordeel echter statistisch significant. Ter informatie: in de vier studies werd niet gecorrigeerd voor confounders.

  1. Vanwege de aanwezigheid van klinische en methodologische heterogeniteit werden de data niet gepoold: de studies verschillen sterk in studieopzet, onderzoekspopulatie (zie Tabel 2), onderzochte interventies (zie Tabel 3) en de manier waarop recidief S.
  2. Aureus bacteriëmie gedefinieerd was.
  3. Figuur 1 Optreden van recidief S.

aureus bacteriëmie bij patiënten met S. aureus endocarditis Figuur 2 Optreden van recidief S. aureus bacteriëmie bij patiënten met S. aureus bacteriëmie Figuur 3 Optreden van recidief S. aureus endocarditis bij patiënten met S. aureus endocarditis Duur ziekenhuisopname (dagen) Eén studie onderzocht de gemiddelde duur van ziekenhuisopname (Gentry et al., 1997). Patiënten die behandeld waren met nafcilline en gentamicine hadden gemiddeld een kortere ligduur dan patiënten die werden behandeld met vancomycine en gentamicine. Het verschil was echter niet statistisch significant (zie Figuur 4). Figuur 4 Duur ziekenhuisopname Mortaliteit Twee studies rapporteerden mortaliteit gestratificeerd voor methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie (Gentry et al., 1997, González et al., 1999). Gentry (1997) hanteerde een follow-up duur van twee maanden. González (1999) volgde patiënten tot genezing of dood, met onduidelijke exacte follow-up duur.

  • Beide studies toonden een niet significant voordeel voor penicillinase-resistente penicillines (PRP), zie Figuur 5.
  • Tevens dient opgemerkt te worden dat er niet werd gecorrigeerd voor belangrijke confounders.
  • Vanwege de aanwezigheid van klinische heterogeniteit werden de resultaten niet gepoold: de studies verschilden sterk in onderzoekspopulatie (endocarditis vs.

bacteriëmische pneumonie), onderzochte interventies (zie Tabel 3) en de follow-up duur van de uitkomstmaat. Figuur 5 Mortaliteit Bijwerkingen medicatie Bijwerkingen werden beschreven in twee van de zes studies (Gentry et al., 1997; Fortún et al., 2001). Gentry et al. (1997) beschrijft een stijging van serum creatinine in vijf van de 27 patiënten in de vancomycine groep, tegen vier van de 26 patiënten in de nafcilline groep.

Van deze vier patiënten had één er mogelijk nafcilline-geïnduceerde glomerulonefritis en ontstond er bij één patiënt mogelijke nafcilline-geïnduceerde eosinofilie en anemie. Alle patiënten met nefrotoxiciteit waren gelijktijdig ook behandeld met een aminoglycoside. In de studie van Fortún et al. (2001) kwamen bijwerkingen voor bij twee van de tien patiënten in de vancomycine- gentamicine groep (licht verhoogd serum creatinine en huiduitslag), tegen geen patiënten met bijwerkingen in de cloxacilline-gentamicine groep.

Indirect bewijs Vijf studies werden niet geïncludeerd in de literatuursamenvatting omdat type β-lactam antibiotica niet gespecificeerd werden (Kim et al., 2008) of de resultaten voor verschillende typen β-lactam antibiotica niet gestratificeerd werden gepresenteerd (Johnson et al., 2003; Lodise et al., 2007; Schweizer et al., 2011; Wong et al., 2016).

De resultaten van twee van de vijf studies toonden een trend in het voordeel voor de β-lactam groep ten opzichte van vancomycine voor de uitkomstmaat mortaliteit (Kim 2008, Wong 2016). De overige drie studies toonden een voordeel voor penicilline of ceftriaxon en een voordeel voor nafcilline of cefazoline ten opzichte van vancomycine voor de uitkomstmaat mortaliteit (Lodise et al., 2007; Schweizer et al., 2011) en voor de uitkomstmaat recidief (Johnson et al., 2003).

Bewijskracht van de literatuur Ter informatie: zie de evidence tabellen voor gedetailleerde informatie over het risico op bias per studie. Recidief S. aureus bacteriëmie Observationeel onderzoek: vanwege het observationele karakter van het onderzoek start de kwaliteit van bewijs voor de uitkomstmaat recidief S.

Aureus bacteriëmie laag. De kwaliteit wordt verlaagd van laag naar zeer laag om de volgende redenen: er was sprake van onvergelijkbare studiegroepen in prognose en in bijna alle studies was follow-up duur niet gerapporteerd (beperkingen in onderzoeksopzet). Tevens gaat het om studies van geringe omvang met brede betrouwbaarheidsintervallen rondom de effectschatter (imprecisie).

Daarnaast is er sprake van indirectheid van het bewijs, omdat in een aantal studies gelijktijdig werd behandeld met een aminoglycoside, er een selecte patiëntenpopulatie werd onderzocht (endocarditis) en we niet weten of de gehanteerde doseringen extrapoleerbaar zijn naar de Nederlandse situatie.

Gerandomiseerd onderzoek: de bewijskracht van de RCT verandert van hoog naar zeer laag omdat het onduidelijk is of de toewijzing van medicatie onvoorspelbaar was (beperkingen in onderzoeksopzet), het gaat om kleine aantallen (imprecisie) en de onderzoekspopulatie (endocarditis patiënten met parenteraal drugsgebruik) niet zonder meer extrapoleerbaar is naar de onderzoekspopulatie waarvoor de richtlijn geschreven wordt (indirectheid).

Duur ziekenhuisopname De bewijskracht voor de uitkomstmaat duur ziekenhuisopname verandert van laag naar zeer laag, omdat maar één observationele studie van geringe omvang deze uitkomstmaat heeft onderzocht (imprecisie). Tevens was er in deze studie sprake van niet vergelijkbare studiegroepen in prognose (beperkingen in onderzoeksopzet), werden alleen patiënten met endocarditis geïncludeerd en werd er in één studie gelijktijdig behandeld met gentamicine (indirectheid van het bewijs).

Mortaliteit De bewijskracht voor de uitkomstmaat mortaliteit verandert van laag naar zeer laag: er was sprake van onvergelijkbare studiegroepen in prognose (beperkingen in onderzoeksopzet), kleine aantallen (imprecisie), in één studie was er sprake van gelijktijdige behandeling met gentamicine en er werden specifieke patiëntengroepen geïncludeerd, i.e.

met bacteriëmische S. aureus pneumonie of endocarditis (indirectheid van het bewijs). Bijwerkingen medicatie De bewijskracht voor de uitkomstmaat bijwerkingen van medicatie is laag tot zeer laag, omdat slechts twee studies van beperkte omvang deze uitkomstmaat hebben onderzocht (imprecisie) en omdat er sprake is van indirect bewijs (beide studies onderzochten alleen endocarditis patiënten en in beide studies was er sprake van gelijktijdige behandeling met gentamicine).

Daarnaast werd in beide studies niet gerapporteerd of het optreden van bijwerkingen systematisch werd onderzocht.2. Flucloxacilline versus cefazoline Ter informatie: zie de evidence tabellen voor gedetailleerde informatie betreffende studiepopulatie, interventie, uitkomstmaten en resultaten. Voor gedetailleerde informatie over het risico op bias per studie zie de evidence tabellen.

Voor deze samenvatting zijn in elke studie alleen de data geëxtraheerd die betrekking hebben tot de huidige PICO vraagstelling. Beschrijving studies De zes studies betroffen allen retrospectieve cohort studies (Lee et al., 2011; Paul et al., 2011; Renaud et al., 2011; Li et al., 2014; Bai et al., 2015; McDanel et al., 2017).

Inclusiecriteria Exclusiecriteria
Lee 2011 – S. aureus bacteriëmie – Behandeling met cefazoline terwijl nafcilline leverbaar was
Paul 2011 – S. aureus bacteriëmie
  • Polymicrobiële infectie
  • Overlijden <7 dagen na afname bloedkweken
Renaud 2011
  • S. aureus bacteriëmie
  • Hemodialyse patiënten
  • Leeftijd <21 jaar
  • Overlijden <2 dagen na hospitalisatie
  • Polymicrobiële infectie
  • Initiële behandeling met 1gr cefazoline per dag
Li 2014 – Gecompliceerde S. aureus bacteriëmie*
  • Behandeling met empirische antibiotica gedurende >72 uur
  • Ongecompliceerde S. aureus bacteriëmie
Bai 2015 – S. aureus bacteriëmie – Overlijden <3 dagen na afname bloedkweken
McDanel 2017 – S. aureus bacteriëmie – Combinatietherapie met cefazoline en nafcilline/oxacilline
*Gecompliceerde SAB werd in deze studie gedefinieerd als aanwezigheid van positieve follow-up bloedkweken binnen 5 dagen na starten therapie, strooihaarden, een geïnfecteerde prothese of endocarditis

Interventies (Tabel 5) De onderzochte interventies van de studies waren eveneens heterogeen: naast dosering en type antibiotica, varieerde ook de therapieduur. Met name in de studie van Li et al. (2014) werden patiënten over het algemeen langdurig behandeld met antibiotica: mediaan 39 dagen (IQR 28-44 dagen) voor cefazoline en mediaan 31 dagen (IQR 21-42 dagen) voor oxacilline (zie de evidence tabellen voor details).

  1. Dosering van de antibiotica werd in een aantal studies niet beschreven (zie Tabel 5).
  2. In twee studies werd een deel van de patiënten gelijktijdig behandeld met gentamicine en/of rifampicine (Li et al., 2014; Bai et al., 2015), in de andere studies werd geen informatie gegeven over eventuele combinatietherapie (Lee et al., 2011; Paul et al., 2011; Renaud et al., 2011; McDanel et al., 2017).

Omdat cefazoline is vergeleken met verschillende soorten penicillinase-resistente penicillines (nafcilline, oxacilline en cloxacilline), zal deze laatstgenoemde groep op een aantal plaatsen in de samenvatting overkoepelend benoemd worden als penicillinase-resistente penicillines (PRP).

Interventie Controle Dosering
Patiënten met S. aureus bacteriëmie
Lee 2011 Cefazoline Nafcilline Onbekend
Paul 2011 Cefazoline Oxacilline Onbekend
Li 2014 Cefazoline Oxacilline Bekend*
Bai 2015 Cefazoline Cloxacilline Bekend*
McDanel 2017 Cefazoline Nafcilline of Oxacilline Onbekend
Hemodialyse patiënten met S. aureus bacteriëmie
Renaud 2011 Cefazoline Cloxacilline Bekend*
*zie de evidence tabellen voor details

Resultaten recidief S. aureus bacteriëmie In vier studies werd de uitkomstmaat recidief S. aureus bacteriëmie gehanteerd, met wisselende definities en follow-up tijden, zie de tabel hieronder (Renaud et al., 2011; Li et al., 2014; Bai et al., 2015; McDanel et al., 2017). Tabel 6 Definities recidief S. aureus bacteriëmie

Definitie Follow-up duur
Renaud 2011
  • Positieve bloedkweek met MSSA
  • Na een negatieve bloedkweek
30 dagen
Li 2014 Onbekend 90 dagen
Bai 2015
  • Positieve kweek met S. aureus van een vermoedelijk infectieus focus met hetzelfde resistentiepatroon
  • Na het stoppen van de antimicrobiële therapie
  • Geen selectie op bloedkweken
90 dagen
McDanel 2017
  • Positieve bloedkweek met MSSA tussen 45 en 365 dagen
  • na de eerste positieve bloedkweek met MSSA
365 dagen

De resultaten van alle vier studies toonden geen statistisch significant verschil aan tussen het gebruik van PRP en cefazoline (zie Figuur 6). Hierbij dient opgemerkt te worden dat er in de studies een verschil bestaat in het wel of niet corrigeren voor confounders (ondanks confounding by indication, de beslissing voor het starten van bepaalde antibiotica was mogelijk afhankelijk van bepaalde patiëntkenmerken).

De niet-statisch significante resultaten van de drie studies uit Figuur 6 komen overeen met de resultaten van de studie waarbij behandeling met cefazoline in een multivariabele regressie analyse werd onderzocht: in de studie van McDanel et al. (2017) gaf behandeling met cefazoline een gecorrigeerde OR van 1,13 (95% BHI 0,94-1,36).

Vanwege de aanwezigheid van klinische en methodologische heterogeniteit werden de resultaten niet gepoold: de studies verschilden in onderzoekspopulatie, de definities van de uitkomstmaat liepen uiteen en de statistische methode was erg heterogeen. Figuur 6 Optreden van een recidief S. Duur ziekenhuisopname Twee studies onderzochten duur van ziekenhuisopname (Renaud et al., 2011; McDanel et al., 2017). In de eerste studie was de lengte van ziekenhuisopname korter voor de groep hemodialysepatiënten die was behandeld met cefazoline (gemiddelde ligduur 10 dagen) ten opzichte van de groep hemodialysepatiënten die was behandeld met cloxacilline (gemiddelde ligduur 20 dagen).

Hierbij dient opgemerkt te worden dat er geen betrouwbaarheidsintervallen werden beschreven en dat er niet werd gecorrigeerd voor confounders (Renaud et al., 2011). In de tweede studie was de mediane ligduur ook korter voor de patiënten die werden behandeld met cefazoline, namelijk 12 dagen (IQR 8-18) ten opzichte van 13 dagen (IQR 9-22) voor patiënten die werden behandeld met nafcilline of oxacilline (McDanel et al., 2017).

Ook in deze studie werd voor deze uitkomstmaat niet gecorrigeerd voor confounders. Mortaliteit Zes studies rapporteerden resultaten betreffende het eindpunt mortaliteit, waarbij de follow-up duur verschilde tussen de studies. De studies van Lee et al. (2011) en Renaud et al.

  1. 2011) hanteerden een follow-up van respectievelijk 28 en 30 dagen.
  2. Twee studies hanteerden een follow-up duur van zowel 30 als 90 dagen (Li et al., 2014; McDanel et al., 2017), de overige twee studies onderzochten alleen mortaliteit op 90 dagen (Paul et al., 2011; Bai et al., 2015).
  3. Twee studies lieten alleen absolute, ongecorrigeerde resultaten zien (zie Figuur 7).

De vier overige studies corrigeerden wel voor confounders, waarvan één studie het optreden van sterfte per behandelgroep rapporteerde en drie studies het eindpunt onderzochten met behulp van multivariabele regressieanalyse (zie Figuur 7 en Tabel 7). Vanwege de aanwezigheid van klinische heterogeniteit werden de resultaten niet gepoold: de studies verschilden sterk in onderzoekspopulatie, statistische methode en de follow-up duur van de uitkomstmaat.

You might be interested:  Wraps Met Kip

Vijf van de zes studies toonden geen statistisch significant voordeel van behandeling met cefazoline in het voorkomen van mortaliteit ten opzichte van behandeling met PRP (Renaud et al., 2011; Li et al., 2014; Lee et al., 2011; Paul et al., 2011; Bai et al., 2015). Eén studie toonde wel een statistisch significant voordeel in het voorkomen van 30-dagen en 90-dagen mortaliteit bij behandeling met cefazoline (McDanel et al., 2017).

Figuur 7 Mortaliteit – studies die stratificeren per behandelgroep Tabel 7 Mortaliteit – studies met een multivariabele analyse

Paul 2011 (n = 353) Bai 2015 (n = 354) McDanel 2017 (n = 3167)
30-dagen mortaliteit
Behandeling met cefazoline adjusted HR 0,63 c (95% BHI 0,51-0,78)
90-dagen mortaliteit
Behandeling met cefazoline adjusted OR 0,91 a (95% BHI 0,47-1,77) adjusted HR 0,6 b (95% BHI 0,36-1,01) adjusted HR 0,77 d (95% BHI 0,66-0,9)
a gecorrigeerd voor: leeftijd, status van ADL afhankelijkheid, nosocomiale S. aureus bacteriëmie, diabetes, maligniteit, hartklep aandoening, ureum level, albumine level en trombocyt level b gecorrigeerd voor: leeftijd, geslacht, afdeling van opname, ‘community-associated’, comorbiditeiten, ziekte-ernst bij presentatie (koorts/shock/nierfalen), vroege infectieuze foci en >2 dagen tot antimicrobiële therapie

Bijwerkingen medicatie Bijwerkingen werden beschreven in drie van de zes studies (Lee et al., 2011; Renaud et al., 2011; Li et al., 2014). In de enige studie waarbij dit eindpunt werd gecorrigeerd voor confounders, kwamen bijwerkingen voor in 7 van de 41 patiënten in de nafcilline groep (n=4 geneesmiddelenkoorts, n=2 cytopenie, n=1 flebitis), tegen geen van de 41 patiënten in de cefazoline groep (Lee et al., 2011).

  1. In de studie van Li et al.
  2. 2014) kwamen ook meer bijwerkingen voor in de oxacilline groep (in 10 van de 34 patiënten, n=6 transaminase stijging, n=1 huiduitslag, n=1 serum creatinine stijging, n=1 leukopenie en één niet beschreven bijwerking) ten opzichte van de cefazoline groep (2 van de 59 patiënten, n=1 huiduitslag en n=1 diarree).

Belangrijk om op te merken is dat in deze studie een aantal patiënten combinatietherapie ontving met gentamicine en/of rifampicine, het is niet bekend in hoeverre dit de patiënten met bijwerkingen betrof. De studie naar hemodialyse patiënten rapporteerde gevallen van bijwerkingen in 3 van de 14 patiënten in de cefazoline groep (n=2 Stevens-Johnson syndroom, n=1 ernstige leukopenie), ten opzichte van géén ernstige bijwerkingen in de cloxacilline groep van 13 patiënten (Renaud et al., 2011).

Bewijskracht van de literatuur Ter informatie: zie de evidence tabellen voor gedetailleerde informatie over het risico op bias per studie. A) Recidief S. aureus bacteriëmie Vanwege het observationele karakter van het onderzoek start de kwaliteit van bewijs voor de uitkomstmaat recidief S. aureus bacteriëmie laag.

De bewijskracht van de vier observationele studies wordt verlaagd van laag naar zeer laag om de volgende redenen: er zijn sterke beperkingen in onderzoeksopzet: twee studies corrigeerden niet voor confounders (ondanks confounding by indication) en één studie gaf geen definitie van de uitkomstmaat.

Daarnaast is er sprake van statistische heterogeniteit, gaat het om een aantal studies van geringe omvang (imprecisie) en is er sprake van indirectheid van het bewijs (een aantal patiënten ontving combinatietherapie en in één studie werden alleen hemodialyse patiënten geïncludeerd). B) Duur ziekenhuisopname De bewijskracht voor de uitkomstmaat duur van ziekenhuisopname verandert van laag naar zeer laag, omdat er in deze studies sprake was van zeer serieus risico op bias (er werd niet gecorrigeerd voor confounders) en indirectheid van het bewijs (in één studie er werden er alleen hemodialyse patiënten geïncludeerd).

C) Mortaliteit De bewijskracht voor de uitkomstmaat mortaliteit verandert van laag naar zeer laag, vanwege de volgende redenen: er was in twee studies sprake van onvergelijkbare studiegroepen in prognose (confounding by indication, beperkingen in onderzoeksopzet), de meerderheid van de studiepopulaties bestond uit kleine aantallen (imprecisie), in één studie was er sprake van gelijktijdige behandeling met andere antibiotica, er werd in één studie een specifieke (hemodialyse) patiëntengroep geïncludeerd (indirectheid van het bewijs) en er was sprake van statistische heterogeniteit.

D)Bijwerkingen medicatie De bewijskracht voor de uitkomstmaat bijwerkingen van medicatie is zeer laag, omdat slechts drie studies van beperkte omvang deze uitkomstmaat hebben onderzocht (imprecisie), omdat er sprake is van indirect bewijs (één studie onderzocht alleen hemodialyse patiënten en in één studie was er sprake van gelijktijdige behandeling met rifampicine danwel gentamicine) en vanwege inconsistentie in resultaten.

Daarnaast bestond in twee van deze drie studies een zeer serieus risico op bias vanwege onvergelijkbare studiegroepen in baseline prognose en werd er niet gerapporteerd of het optreden van bijwerkingen systematisch werd onderzocht.3. Flucloxacilline versus flucloxacilline plus aminoglycoside Ter informatie: zie de evidence tabellen voor gedetailleerde informatie betreffende studiepopulatie, interventie, uitkomstmaten en resultaten.

  1. Voor gedetailleerde informatie over het risico op bias per studie zie de evidence tabellen.
  2. Voor deze samenvatting zijn in elke studie alleen de data geëxtraheerd die betrekking hebben tot de huidige PICO vraagstelling.
  3. Beschrijving studies Twee van de drie studies betroffen randomized controlled trials (Korzeniowski et al., 1982; Ribera et al., 1996).

De derde studie was een retrospectieve cohortstudie (Hughes et al., 2009). Studiepopulaties (Tabel 8) De populaties in de studies betroffen alle patiënten met S. aureus endocarditis, in de tabel hieronder zijn de meest differentiërende in- en exclusiecriteria weergegeven.

Inclusiecriteria Exclusiecriteria
Randomized controlled trials
Korzeniowski 1982 – S. aureus endocarditis – Kunstkleppen
Ribera 1996
  • S. aureus tricuspidalis endocarditis
  • IV drugsgebruik
  • Linkszijdige endocarditis
  • Systemische complicatie met indicatie voor verlengde therapieduur (i.e. osteomyelitis)
Retrospectieve cohortstudie
Hughes 2009 – S. aureus endocarditis – Leeftijd <18 jaar

Interventies (Tabel 9) De onderzochte interventies van de studies waren heterogeen: naast dosering en type antibiotica, varieerde ook de therapieduur (zie Tabel 9). Omdat verschillende soorten penicillinase-resistente penicillines (nafcilline en cloxacilline) onderzocht zijn, zullen deze op een aantal plaatsen in de samenvatting overkoepelend benoemd worden als penicillinase-resistente penicillines (PRP).

Interventie Controle Dosering
Randomized controlled trials
Korzeniowski 1982 6 weken nafcilline IV + 2 weken gentamicine IM of IV 6 weken nafcilline IV Bekend*
Ribera 1996 2 weken cloxacilline IV + 7 dagen gentamicine IV 2 weken cloxacilline IV Bekend*
Retrospectieve cohortstudie
Hughes 2009 Cloxacilline IV + gentamicine Cloxacilline IV Deels bekend*
*zie de evidence tabellen voor details

Resultaten recidief S. aureus bacteriëmie (tabel 10) In twee studies werd de uitkomstmaat recidief S. aureus bacteriëmie gehanteerd. In één van die studies werd follow-upduur en definitie niet beschreven, zie de tabel hieronder (Korzeniowski et al., 1982; Ribera et al., 1996). Tabel 10 Definities recidief S. aureus bacteriëmie

Definitie Follow-up duur
Korzeniowski 1982 Onbekend Onbekend
Ribera 1996
  • Positieve bloedkweek met S. aureus
  • Zelfde faag-type als originele S. aureus isolaat
6 maanden

De resultaten van de twee gerandomiseerde studies toonden geen statistisch significant verschil tussen het gebruik van PRP alleen en in combinatietherapie met een aminoglycoside in het voorkomen van een recidief (zie Figuur 8). Hierbij dient opgemerkt te worden dat het gaat om studies van geringe grootte, dat er ondanks randomisatie in één studie baseline verschillen bestonden tussen de behandelgroepen (Korzeniowski et al., 1982) en dat het gaat om brede betrouwbaarheidsintervallen rondom de effectschatter. Duur ziekenhuisopname Dit eindpunt werd in één studie onderzocht (Hughes et al., 2009). In deze studie was er geen statistisch significant verschil tussen de gemiddelde duur van ziekenhuisopname tussen patiënten die werden behandeld met cloxacilline alleen (21 dagen) in vergelijking met patiënten die werden behandeld met cloxacilline en gentamicine (20 dagen).

  • Hierbij werden geen nauwkeurigheidsmarges gerapporteerd en werd er niet gecorrigeerd voor mogelijke confounders.
  • Mortaliteit Drie studies rapporteerden resultaten betreffende het eindpunt mortaliteit, waarbij de follow-up duur verschilde tussen de studies.
  • De studies van Hughes et al.
  • 2009) hanteerde als enige studie een vooraf gedefinieerde follow-up duur, van 30 dagen.

Ribera et al. (1996) volgde patiënten zes maanden maar rapporteerde alleen sterfte tijdens antimicrobiële behandeling. De exacte lengte van follow-up wordt in de studie van Korzeniowski et al. (1982) niet beschreven. De resultaten van deze drie studies toonden geen statistisch significant voordeel van combinatietherapie van PRP en een aminoglycoside in het voorkomen van sterfte ten opzichte van behandeling met PRP alleen, met mogelijk een trend in het voordeel van PRP zonder aminoglycoside (zie Figuur 9).

Hierbij dient opgemerkt te worden dat er in twee studies sprake was van verschillen in baseline prognose tussen groepen en dat hiervoor niet werd gecorrigeerd (Korzeniowski et al., 1982; Hughes et al., 2009). Vanwege de aanwezigheid van klinische heterogeniteit werden de resultaten niet gepoold: de studies verschillen sterk in onderzoekspopulatie, interventie en de follow-up duur van de uitkomstmaat.

Figuur 9 Mortaliteit Bijwerkingen medicatie Bijwerkingen werden beschreven in drie studies, waarbij er in geen van de studies werd gerapporteerd of er systematisch naar het optreden van bijwerkingen werd gezocht. Korzeniowski et al. (1982) beschrijft dat er vaker bijwerkingen voorkwamen in de combinatietherapiegroep, namelijk een verdubbeling van het serum creatinine in 11 van de 43 patiënten (26%) in de nafcilline+gentamicine groep, tegen 1 van de 35 patiënten (3%) in de nafcilline monotherapie groep.

Daarnaast trad in 4 van de 43 combinatietherapie patiënten (9%) neutropenie (≤1000/µL) op, dit werd niet beschreven in de groep met nafcilline monotherapie. Ook in de retrospectieve studie van Hughes et al. (2009) kwam stijging van het serum creatinine vaker voor in de combinatietherapiegroep: in 18% van de 63 patiënten die werden behandeld met cloxacilline+gentamicine, ten opzichte van 7% van de 44 patiënten met cloxacilline monotherapie (p = 0,1).

De studie van Ribera et al. (1996) meldt over bijwerkingen dat in géén van de 90 patiënten in de studie de medicatie werd gestopt vanwege nierinsufficiëntie. Bewijskracht van de literatuur Ter informatie: zie de evidence tabellen voor gedetailleerde informatie over het risico op bias per studie.

A) Recidief S. aureus bacteriëmie De bewijskracht van de twee gerandomiseerde studies verandert van hoog naar zeer laag omdat het in één van de studies onduidelijk is of de toewijzing van medicatie onvoorspelbaar was (beperkingen in onderzoeksopzet), het gaat om kleine aantallen (imprecisie) en de onderzoekspopulatie (endocarditis patiënten, deels met parenteraal drugsgebruik) niet zonder meer te generaliseren is naar de onderzoekspopulatie waarvoor de richtlijn geschreven wordt (patiënten met S.

aureus bacteriëmie, indirectheid van het bewijs). B) Duur ziekenhuisopname De bewijskracht voor de uitkomstmaat duur ziekenhuisopname verandert van laag naar zeer laag, omdat maar één observationele studie van geringe omvang deze uitkomstmaat heeft onderzocht (imprecisie).

  1. Tevens was er in deze studie sprake van niet vergelijkbare studiegroepen in prognose (beperkingen in onderzoeksopzet) en werden alleen patiënten met endocarditis geïncludeerd (indirectheid van het bewijs).
  2. C) Mortaliteit Gerandomiseerd onderzoek: de bewijskracht van de twee gerandomiseerde studies verandert van hoog naar zeer laag omdat het onduidelijk is of de toewijzing van medicatie onvoorspelbaar was in één van de twee studies (beperkingen in onderzoeksopzet), het gaat om kleine aantallen (imprecisie) en de onderzoekspopulatie (endocarditis patiënten, deels met parenteraal drugsgebruik) niet zonder meer te generaliseren is naar de onderzoekspopulatie waarvoor de richtlijn geschreven wordt (indirectheid).

Observationeel onderzoek: vanwege het observationele karakter van het onderzoek start de kwaliteit van bewijs voor de uitkomstmaat mortaliteit laag. De kwaliteit wordt verlaagd van laag naar zeer laag om de volgende redenen: er is sprake van onvergelijkbare studiegroepen in prognose (beperkingen in onderzoeksopzet), het gaat om een studie van geringe omvang (imprecisie) en er is sprake van indirectheid van het bewijs (er werd een selecte patiëntenpopulatie onderzocht, namelijk patiënten met endocarditis).

D) Bijwerkingen medicatie De bewijskracht voor de uitkomstmaat bijwerkingen van medicatie is zeer laag, omdat drie studies van beperkte omvang deze uitkomstmaat hebben onderzocht (imprecisie), omdat er sprake is van indirect bewijs (er werden alleen endocarditis patiënten onderzocht), omdat er in twee van deze sprake was van onvergelijkbare studiegroepen in baseline prognose en omdat er in de studies niet beschreven is of het optreden van bijwerkingen systematisch werd onderzocht.4.

( 2 weken IV antibiotica) Ter informatie: zie de evidence tabellen voor gedetailleerde informatie betreffende studiepopulatie, interventie, uitkomstmaten en resultaten. Voor gedetailleerde informatie over het risico op bias per studie zie de evidence tabellen.

  • Voor deze samenvatting zijn in elke studie alleen de data geëxtraheerd die betrekking hebben tot de huidige PICO vraagstelling.
  • Beschrijving studies en studiepopulaties (Tabel 11) De tien studies betroffen zowel retrospectieve als prospectieve cohortstudies.
  • De populaties in de studies waren patiënten met S.

aureus bacteriëmie, maar waren verder heterogeen. In de tabel hieronder zijn de meest differentiërende in- en exclusiecriteria weergegeven. In de meeste studies werden zowel patiënten met methicillinegevoelige als methicilline-resistente S. aureus bacteriëmie geïncludeerd.

Inclusiecriteria Exclusiecriteria
Prospectieve cohortstudies
Raad 1992 Katheter-gerelateerde S. aureus bacteriëmie Optreden vroege complicaties (i.e. endocarditis, abces)
Jensen 2002 S. aureus bacteriëmie Behandeling met dicloxacilline
Khosrovaneh 2005 S. aureus bacteriëmie en weke delen infectie Leeftijd ≥18 jaar
Thomas 2005 Katheter-gerelateerde S. aureus bacteriëmie Leeftijd >16 jaar
Chong 2013 Ongecompliceerde S. aureus bacteriëmie a Leeftijd ≥18 jaar Polymicrobiële bacteriëmie
Retrospectieve cohortstudies
Zeylemaker 2001 Katheter-gerelateerde S. aureus bacteriëmie Leeftijd ≥18 jaar Endocarditis bij opname
Fätkenheuer 2004 S. aureus bacteriëmie
Kreisel 2006 S. aureus bacteriëmie Aanwezigheid endocarditis
Landman 2011 S. aureus bacteriëmie Leeftijd ≥18 jaar
Kempley 2015 S. aureus bacteriëmie Neonaten

Interventies (Tabel 12) De onderzochte interventies van de studies waren heterogeen: zowel type antibiotica als dosering verschilde per studie (voor zover bekend, zie de tabel hieronder). De gebruikte antibiotica per behandelgroep (<2 weken versus ≥2 weken) werd niet in elke studie beschreven. Tabel 12 Onderzochte interventies

Interventie N Controle N Type AB per groep
Raad 1992 <10 dagen IV AB 10-14 dagen IV AB 18 18 >14 dagen IV AB 10 Bekend a
Zeylemaker 2001 0 dagen AB 1-7 dagen AB 7-14 dagen AB 5 4 25 >14 dagen AB 15 Onbekend
Jensen 2002 <14 dagen dicloxacilline 74 ≥14 dagen dicloxacilline 81 Bekend a
Fätkenheuer 2004 <14 dagen AB 87 ≥14 dagen AB 73 Onbekend
Khosrovaneh 2005 Kortdurende behandeling b 23 Langdurige behandeling b 18 Onbekend
Thomas 2005 0-7 dagen IV AB 8-14 dagen IV AB 37 132 15-21 dagen IV AB >21 dagen IV AB 55 30 Onbekend
Kreisel 2006 ≤14 dagen AB c 231 >14 dagen AB 110 Onbekend
Landman 2011 <14 dagen AB 26 ≥14 dagen AB 53 Onbekend
Chong 2013 <14 dagen IV AB 38 ≥14 dagen IV AB 73 Bekend a
Kempley 2015 0-13 dagen AB 9 14-27 dagen AB ≥28 dagen AB 51 19 Onbekend
d, dagen; AB, antibiotica a zie de evidence tabellen voor details, b onduidelijke definitie, mogelijk ≤14 dagen versus >14 dagen; c gedefinieerd als antibioticum waarvoor het isolaat gevoelig was

Resultaten recidief S. aureus bacteriëmie (Tabel 13) In zeven studies werd de uitkomstmaat recidief S. aureus infectie gehanteerd, zie de tabel hieronder voor definities en follow-up duur. Tabel 13 Definities recidief S. aureus bacteriëmie

Definitie Follow-up duur
Raad 1992 Onbekend 6 maanden
Khosrovaneh 2005 Onbekend 14-440 dagen
Thomas 2005
  • Recidief diepe infectie (i.e. exclusie van recidief katheter- gerelateerde S. aureus bacteriëmie)
  • Zelfde PFGE patroon als originele isolaat
  • Na voltooien initiële therapie
12 weken
Kreisel 2006
  • Positieve kweek met S. aureus van een (van nature) steriele afnamelocatie
  • Zelfde methicilline-resistentiepatroon als originele isolaat
  • Na klaren van de initiële infectie
Onbekend
Landman 2011 – Positieve kweek met S. aureus 3 maanden

table>

– Na klinische verbetering Chong 2013
  • Recidief S. aureus infectie
  • Zelfde antibiogram en PFGE patroon als originele isolaat
  • Na voltooien initiële antimicrobiële therapie
12 weken Kempley 2015
  • Positieve bloedkweek met S. aureus
  • Na voltooien adequate antimicrobiële therapie
1 jaar

De resultaten van de studies waren wisselend (zie Figuur 10 en Tabel 14). Vier van de zeven studies toonden een trend in het voordeel van minimaal twee weken behandeling met IV antibiotica in het voorkomen van recidief S. aureus bacteriëmie, ten opzichte van korter dan twee weken IV behandeling met antibiotica (Raad et al., 1992; Kreisel et al., 2006; Landman et al., 2011; Chong et al., 2013).

Twee van de zeven studies toonden dat er juist meer recidieven optraden bij patiënten die langer dan twee weken met antibiotica werden behandeld (Thomas et al., 2005; Khosrovaneh et al., 2005). In één studie trad in beide groepen geen recidief op (Kempley et al.2015). Hierbij dient opgemerkt te worden dat het veelal gaat studies van geringe grootte en dat er ondanks baseline verschillen in prognose (confounding by indication), in zes van de zeven studies niet gecorrigeerd werd voor confounders.

Eén studie onderzocht het eindpunt recidief in multivariabele analyse (Kreisel et al., 2006). Hierbij was therapieduur niet statistisch significant geassocieerd met het optreden van recidief S. aureus bacteriëmie en wees de puntschatter in een nadelig effect van langdurige behandeling (zie Tabel 14).

  1. Daarnaast onderzocht Chong et al.
  2. 2013) het effect van duur van behandeling in relatie tot een gecombineerd eindpunt van sterfte en recidief S.
  3. Aureus bacteriëmie (therapiefalen) in multivariabele analyse.
  4. Hierbij was behandelduur niet statistisch significant geassocieerd met therapiefalen, zie Tabel 14 (Chong et al., 2013).

Vanwege de aanwezigheid van klinische en methodologische heterogeniteit werden de resultaten betreffende recidief S. aureus bacteriëmie niet gepoold: de studies verschillen in onderzoekspopulatie en interventie, de definities van de uitkomstmaat liepen uiteen en er was sprake van statistische heterogeniteit. Tabel 14 Recidief – studies met een multivariabele analyse

Kreisel et al., 2006 (n =341) Chong et al., 2013 (n =111)
Recidief S. aureus bacteriëmie
≤14 dagen effectieve antibiotica adjusted OR a 0,58 (95% BHI 0,32-1,05)
12-weken therapiefalen (recidief S. aureus bacteriëmie of sterfte)
<14 dagen IV antibiotica adjusted p=0.19 b
a gecorrigeerd voor HIV infectie, diabetes en MRSA b gecorrigeerd voor type infectie (i,e, primaire S. aureus bacteriëmie of katheter-gerelateerd), Charlson Comorbidity Score en maligniteit

Duur ziekenhuisopname Dit eindpunt werd in geen van de studies onderzocht. Mortaliteit Vijf studies rapporteerden resultaten betreffende het eindpunt mortaliteit, waarbij de definitie en de follow-up duur verschilden tussen de studies (zie Tabel 15). Daarnaast was de wijze van rapporteren van resultaten erg heterogeen.

Eén van de vijf studies toonde in multivariabele analyse een statistisch significant effect van duur van behandeling met antibiotica (dicloxacilline) in het voorkomen van sterfte, maar het is in het artikel onduidelijk in welke richting dit effect wijst, zie Tabel 16 (Jensen et al., 2002). Drie andere studies toonden geen statistisch significante associatie tussen behandelduur en het optreden van sterfte (Zeylemaker et al., 2001; Fätkenheuer et al., 2004; Chong et al., 2013).

Eén van deze studies rapporteerde niet het aantal sterfgevallen per behandelgroep (Fätkenheuer et al., 2004), zie Figuur 11 voor de resultaten van de andere twee studies. Hierbij dient opgemerkt te worden dat er in deze analyses sprake was van verschillen in baseline prognose tussen groepen (confounding by indication) en dat hiervoor niet werd gecorrigeerd.

In de vijfde studie trad in beide groepen geen sterfte op (Kempley et al.2015). Daarnaast werd in één studie een gecombineerd eindpunt van sterfte en recidief S. aureus bacteriëmie (therapiefalen) in multivariabele analyse onderzocht. Hierbij was behandelduur niet statistisch significant geassocieerd met therapiefalen, zie tabel 16 (Chong et al., 2013).

Vanwege de aanwezigheid van klinische en methodologische heterogeniteit werden de resultaten betreffende mortaliteit niet gepoold: de studies verschilden sterk in onderzoekspopulatie, interventie, statistische methode en de follow-up duur van de uitkomstmaat.

Eindpunt Follow-up duur
Zeylemaker 2001 Totale mortaliteit 1 jaar
Jensen 2002 S. aureus bacteriëmie-gerelateerde mortaliteit, gedefinieerd als sterfte <5 weken na positieve bloedkweek of in relatie met recidief S. aureus bacteriëmie 3 maanden
Fätkenheuer 2004 Totale mortaliteit 1 jaar
Chong 2013 Totale mortaliteit Therapiefalen (sterfte of recidief S. aureus bacteriëmie) 12 weken
Kempley 2015 Totale mortaliteit Onbekend

Figuur 11 Mortaliteit Tabel 16 Mortaliteit – studies met een multivariabele analyse

Jensen 2002 (n = 155) Chong 2013 (n =111)
3-maanden S. aureus bacteriëmie-gerelateerde mortaliteit
Duur van therapie a adjusted b OR 0,84 (95% BHI 0,76-0,94)
12-weken therapiefalen (recidief S. aureus bacteriëmie of sterfte)
<14 dagen IV antibiotica adjusted p=0.19 c
a onduidelijk op welke categorie (lang of kortdurende behandeling) de gerapporteerde OR van toepassing is b gecorrigeerd voor septische shock, totale dosis dicloxacilline, leeftijd, ‘community-acquisition’, geslacht, tijd tussen

Bijwerkingen medicatie Dit eindpunt werd in geen van de studies onderzocht. Bewijskracht van de literatuur Ter informatie: zie de evidence tabellen voor gedetailleerde informatie over het risico op bias per studie. A) Recidief S. aureus bacteriëmie Vanwege het observationele karakter van het onderzoek start de kwaliteit van bewijs voor de uitkomstmaat recidief S.

aureus bacteriëmie laag. De bewijskracht van de zeven studies wordt verlaagd van laag naar zeer laag om de volgende redenen: er zijn sterke beperkingen in onderzoeksopzet: het exacte antibioticagebruik (type antibioticum) werd niet altijd gerapporteerd per behandelgroep, zes studies corrigeerden niet voor confounders (ondanks confounding by indication) en twee studies gaven geen definitie van de uitkomstmaat.

Daarnaast is er sprake van statistische heterogeniteit (inconsistentie) en includeerden de studies ook patiënten met methicilline-resistente S. aureus bacteriëmie (of werd dit niet duidelijk beschreven), waardoor de resultaten niet zonder meer te extrapoleren zijn naar de onderzoekspopulatie waarvoor de richtlijn geschreven wordt (methicillinegevoelige S.

aureus bacteriëmie, indirectheid van het bewijs). Tevens werd in één studie een zeer selecte patiëntenpopulatie geïncludeerd (patiënten met weke delen infectie). Tot slot waren vijf van de zeven studies van zeer geringe omvang (imprecisie). B) Duur ziekenhuisopname Niet te beoordelen, omdat uitkomstmaat niet onderzocht is.

C) Mortaliteit De kwaliteit van de observationele studies wordt verlaagd van laag naar zeer laag vanwege sterke beperkingen in onderzoeksopzet (in vier van de vijf studies was er sprake van onvergelijkbare studiegroepen in baseline prognose) en het gaat om studies van geringe omvang (imprecisie).

Daarnaast includeerden de studies ook patiënten met methicilline-resistente S. aureus bacteriëmie (of werd dit niet duidelijk beschreven), waardoor de resultaten niet zonder meer te extrapoleren zijn naar de onderzoekspopulatie waarvoor de richtlijn geschreven wordt (methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie, indirectheid van het bewijs).

D) Bijwerkingen medicatie Niet te beoordelen, omdat uitkomstmaat niet onderzocht is. Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden heeft de werkgroep vier systematische literatuuranalyses gepland met de volgende PICO-vraagstellingen:

  1. Wat is het effect van flucloxacilline vergeleken met vancomycine op de uitkomstmaten in onderstaande Tabel 1 bij patiënten met een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie?
  2. Wat is het effect van flucloxacilline vergeleken met een eerste generatie cefalosporine op de uitkomstmaten in onderstaande Tabel 1 bij patiënten met een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie?
  3. Wat is het effect van flucloxacilline gecombineerd met een aminoglycoside vergeleken met alleen flucoxacilline op de uitkomstmaten in onderstaande Tabel 1 bij patiënten met een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie?
  4. Wat is het effect van (minimaal) 2 weken intraveneuze antibiotische behandeling vergeleken met intraveneuze antibiotische behandeling korter dan 2 weken op de uitkomstmaten in onderstaande Tabel 1 bij patiënten met een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie?

In de databases Medline (OVID), Embase and Cochrane is een overkoepelende, systematische search verricht voor de 4 PICO-vraagstellingen. De zoekverantwoording is weergegeven onder het tabblad verantwoording. Tabel 1 Selectiecriteria

Type studies
  • systematische reviews van vergelijkend onderzoek
  • oorspronkelijk vergelijkend onderzoek
Type patiënten – patiënten met een methicillinegevoelige S. aureus bacteriëmie
Interventie/control
  • 1.penicillinase-resistente penicilline (flucloxacilline; nafcilline; cloxacilline; floxacilline; oxacilline) versus vancomycine
  • 2.penicillinase-resistente penicilline versus eerste generatie cefalosporine
  • 3.penicillinase-resistente penicilline + aminoglycoside versus penicillinase-resistente penicilline
  • 4. twee weken IV behandeling versus minder dan 2 weken IV behandeling
Type uitkomstmaten Effectiviteit

  • recidief S. aureus bacteriëmie
  • duur ziekenhuisopname
  • mortaliteit Bijwerkingen
  • bijwerkingen medicatie
Type setting – ziekenhuis
Exclusiecriteria
  • publicatie vóór 1-1-1980 (voor review 3)
  • publicatie vóór 1-1-1990 (voor review 4)

Review 1 (flucloxacilline versus vancomycine): Na ontdubbeling van de verschillende sets met zoekresultaten per studietype leverde de literatuurzoekactie 549 treffers op. Zie de zoekverantwoording voor de referenties die na het lezen van het volledige artikel werden geëxcludeerd.

Studies die voldeden aan de selectiecriteria in Tabel 1 zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur. Vijf onderzoeken zijn opgenomen in de literatuuranalyse (Chambers et al., 1988; González et al., 1999; Fortún et al., 2001; Chang et al., 2003; Siegman-Igra et al., 2005). Referentie-check leverde nog 1 extra artikel op (Gentry et al., 1997).

Zie ook dee evidencetabel hiervan. Daarnaast zijn 5 studies meegenomen als indirect bewijs (Johnson et al., 2003; Kim et al., 2008; Lodise et al., 2007; Schweizer et al., 2011; Wong et al., 2016). Review 2 (flucloxacilline versus eerste generatie cefalosporine): Na ontdubbeling van de verschillende sets met zoekresultaten per studietype leverde de literatuurzoekactie 328 treffers op.

  • Zie de zoekverantwoording voor de referenties die na het lezen van het volledige artikel werden geëxcludeerd.
  • Studies die voldeden aan de selectiecriteria in Tabel 1 zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur.
  • Zes onderzoeken zijn opgenomen in de literatuuranalyse (Lee et al., 2011; Paul et al., 2011; Renaud et al., 2011; Li et al., 2014; Bai et al., 2015; McDanel et al., 2017).

Zie ook dee evidencetabel hiervan. Referentie-check van deze zes artikelen leverde geen extra artikelen op. NB: Er werd uit de zoekresultaten één systematische review geïdentificeerd met een vergelijkbare onderzoeksvraag. Deze werd echter niet geïncludeerd in de literatuursamenvatting omdat de resultaten niet werden gestratificeerd voor eerste en tweede generatie cefalosporines (Vardakas et al., 2014).

Review 3 (flucloxacilline + aminoglycoside versus flucloxacilline) Na ontdubbeling van de verschillende sets met zoekresultaten per studietype leverde de literatuurzoekactie 268 treffers op. Zie de zoekverantwoording voor de referenties die na het lezen van het volledige artikel werden geëxcludeerd. Studies die voldeden aan de selectiecriteria in Tabel 1 zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur.

Drie onderzoeken zijn opgenomen in de literatuuranalyse (Korzeniowski et al., 1982; Ribera et al., 1996; Hughes et al., 2009). Zie ook dee evidencetabel hiervan. Referentie- check van deze drie studies leverde geen extra artikelen op. Review 4 ( 2 weken IV antibiotica) Na ontdubbeling van de verschillende sets met zoekresultaten per studietype leverde de literatuurzoekactie 322 treffers op.

Zie de zoekverantwoording voor de referenties die na het lezen van het volledige artikel werden geëxcludeerd. Studies die voldeden aan de selectiecriteria in Tabel 1 zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur. Vier onderzoeken zijn opgenomen in de literatuuranalyse (Fätkenheuer et al., 2004; Khosrovaneh et al., 2005; Landman et al., 2011; Kempley et al., 2015).

Zie ook dee evidencetabel hiervan. Referentie-check van deze drie studies leverde zes extra artikelen op (Raad et al., 1992; Zeylemaker et al., 2001; Jensen et al., 2002; Thomas et al., 2005; Kreisel et al., 2006; Chong et al., 2013).

  1. B ai AD, Showler A, Burry L, Steinberg M, Ricciuto DR, Fernandes T et al. Comparative effectiveness of cefazolin versus cloxacillin as definitive antibiotic therapy for MSSA bacteraemia: results from a large multicentre cohort study. J Antimicrob Chemother 2015;70(5):1539-46.
  2. C hambers HF, Miller RT, Newman MD. Right-sided Staphylococcus aureus endocarditis in intravenous drug abusers: two- week combination therapy. Ann Intern Med 1988;109(8):619-24.
  3. C hang FY, Peacock JE Jr, Musher DM, Triplett P, MacDonald BB, Mylotte JM et al. Staphylococcus aureus bacteremia: recurrence and the impact of antibiotic treatment in a prospective multicenter study. Medicine (Baltimore) 2003;82(5):3339.
  4. C hong YP, Moon SM, Bang KM, Park HJ, Park SY, Kim MN et al. Treatment duration for uncomplicated Staphylococcus aureus bacteremia to prevent relapse: analysis of a prospective observational cohort study. Antimicrob Agents Chemother 2013;57(3):1150-6.
  5. F ätkenheuer G, Preuss M, Salzberger B, Schmeisser N, Cornely OA, Wisplinghoff H et al. Long-term outcome and quality of care of patients with Staphylococcus aureus bacteremia. Eur J Clin Microbiol Infect Dis 2004;23(3):157-62.
  6. F ortún J, Navas E, Martínez-Beltrán J, Pérez-Molina J, Martín-Dávila P, Guerrero A et al. Short-course therapy for right-side endocarditis due to Staphylococcus aureus in drug abusers: cloxacillin versus glycopeptides in combination with gentamicin.Clin Infect Dis 2001;33(1):120-5.
  7. G entry CA, Rodvold KA, Novak RM, Hershow RC, Naderer OJ. Retrospective evaluation of therapies for Staphylococcus aureus endocarditis. Pharmacotherapy 1997;17(5):990-7.
  8. G onzález C, Rubio M, Romero-Vivas J, González M, Picazo JJ. Bacteremic pneumonia due to Staphylococcus aureus: A comparison of disease caused by methicillin-resistant and methicillin-susceptible organisms. Clin Infect Dis 1999;29(5):1171-7.
  9. H ughes DW, Frei CR, Maxwell PR, Green K, Patterson JE, Crawford GE et al. Continuous versus intermittent infusion of oxacillin for treatment of infective endocarditis caused by methicillin-susceptible Staphylococcus aureus. Antimicrob Agents Chemother 2009;53(5):2014-9.
  10. J ernigan JA, Farr BM. Short-course therapy of catheter-related Staphylococcus aureus bacteremia: a meta-analysis. Ann Intern Med.1993 Aug 15;119(4):304-11.
  11. K empley S, Kapellou O, McWilliams A, Banerjee J, McCorqodale A, Millar M. Antibiotic treatment duration and prevention of complications in neonatal Staphylococcus aureus bacteraemia. J Hosp Infect 2015;91(2):129-35.
  12. K hosrovaneh A, Sharma M, Khatib R. Favorable prognosis of Staphylococcus aureus bacteremia originating from soft tissues: a prospective study of fifty cases. Scand J Infect Dis 2005;37(1):6-10.
  13. K reisel K, Boyd K, Langenberg P, Roghmann MC. Risk factors for recurrence in patients with Staphylococcus aureus infections complicated by bacteremia. Diagn Microbiol Infect Dis 2006;55(3):179-84.
  14. J ensen AG, Wachmann CH, Espersen F, Scheibel J, Skinhøj P, Frimodt-Møller N. Treatment and outcome of Staphylococcus aureus bacteremia: a prospective study of 278 cases. Arch Intern Med 2002;162(1):25-32.
  15. J ohnson LB, Almoujahed MO, Ilg K, Maolood L, Khatib R. Staphylococcus aureus bacteremia: compliance with standard treatment, long-term outcome and predictors of relapse. Scand J Infect Dis 2003;35(11-12):782-9.
  16. K im SH, Kim KH, Kim HB, Kim NJ, Kim EC, Oh MD et al. Outcome of vancomycin treatment in patients with methicillin- susceptible Staphylococcus aureus bacteremia. Antimicrob Agents Chemother 2008;52(1):192-7.
  17. K orzeniowski O, Sande MA. Combination antimicrobial therapy for Staphylococcus aureus endocarditis in patients addicted to parenteral drugs and in nonaddicts: A prospective study. Ann Intern Med 1982;97(4):496-503.
  18. L andman GW, Bouwhuis JW, Bloembergen P, van der Meer JT, Groeneveld PH. Evaluation of diagnosis and therapy of Staphylococcus aureus bacteraemia: recommended minimum treatment duration of 2 weeks not always met. Ned Tijdschr Geneeskd 2011;155(38):A3376.
  19. L ee S, Choe PG, Song KH, Park SW, Kim HB, Kim NJ et al. Is cefazolin inferior to nafcillin for treatment of methicillin- susceptible Staphylococcus aureus bacteremia? Antimicrob Agents Chemother 2011;55(11):5122-6.
  20. L i J, Echevarria KL, Hughes DW, Cadena JA, Bowling JE, Lewis JS. Comparison of cefazolin versus oxacillin for treatment of complicated bacteremia caused by methicillin-susceptible Staphylococcus aureus. Antimicrob Agents Chemother 2014;58(9):5117-24.
  21. L odise TP Jr, McKinnon PS, Levine DP, Rybak MK. Impact of empirical-therapy selection on outcome of intravenous drug users with infective endocarditis caused by methicillin-susceptible Staphylococcus aureus. Antimicrob Agents Chemother 2007;51(10):3731-3.
  22. M cDanel JS, Roghmann MC5, Perencevich EN, Ohl ME, Goto M, Livorsi DJ et al. Comparative Effectiveness of Cefazolin Versus Nafcillin or Oxacillin for Treatment of Methicillin-Susceptible Staphylococcus aureus Infections Complicated by Bacteremia: A Nationwide Cohort Study. Clin Infect Dis 2017;65(1):100-6.
  23. P aul M, Zemer-Wassercug N, Talker O, Lishtzinsky Y, Lev B, Samra Z et al. Are all beta-lactams similarly effective in the treatment of methicillin-sensitive Staphylococcus aureus bacteraemia? Clin Microbiol Infect 2011;17:1581–6.
  24. R aad II, Sabbagh MF. Optimal duration of therapy for catheter-related Staphylococcus aureus bacteremia: a study of 55 cases and review. Clin Infect Dis 1992;14(1):75-82.
  25. R enaud CJ, Lin X, Subramanian S, Fisher DA. High-dose cefazolin on consecutive hemodialysis in anuric patients with Staphylococcal bacteremia. Hemodial Int 2011;15(1):63-8.
  26. R ibera E, Gómez-Jimenez J, Cortes E, del Valle O, Planes A, Gonzalez-Alujas T et al. Effectiveness of cloxacillin with and without gentamicin in short-term therapy for right-sided Staphylococcus aureus endocarditis. A randomized, controlled trial. Ann Intern Med 1996;125(12):969-74.
  27. S chweizer ML, Furuno JP, Harris AD, Johnson JK, Shardell MD, McGregor JC et al. Comparative effectiveness of nafcilline or cefazolin versus vancomycin in methicillin-susceptible Staphylococcus aureus bacteremia. BMC Infect Dis 2011;11:279.
  28. S iegman-Igra Y, Reich P, Orni-Wasserlauf R, Schwartz D, Giladi M. The role of vancomycin in the persistence of recurrence of Staphylococcus aureus bacteraemia. Scand J Infect Dis 2005;37(8):572-8.
  29. T homas MG, Morris AJ. Cannula-associated Staphylococcus aureus bacteraemia: outcome in relation to treatment. Intern Med J 2005;35(6):319-30.
  30. V ardakas KZ, Apiranthiti KN, Falagas ME. Antistaphylococcal penicillins versus cephalosporins for definitive treatment of methicillin-susceptible Staphylococcus aureus bacteraemia: a systematic review and meta-analysis. Int J Antimicrob Agents 2014;44(6):486-92.
  31. W ong D, Wong T, Romney M, Leung V. Comparative effectiveness of beta-lactam versus vancomycin empiric therapy in patients with methicillin-susceptible Staphylococcus aureus (MSSA) bacteremia. Ann Clin Microbiol Antimicrob 2016;15:27.
  32. Z eylemaker MM, Jaspers CA, van Kraaij MG, Visser MR, Hoepelman IM. Long-term infectious complications and their relation to treatment duration in catheter-related Staphylococcus aureus bacteremia. Eur J Clin Microbiol Infect Dis 2001;20(6):380-4
Study reference Study characteristics Patient characteristics Intervention (I) Comparison / control (C) Follow-up Outcome measures and effect size Comments
PICO 1: flucloxacilline versus vancomycine
Chambers 1988 Type of study: Prospective open study Inclusion criteria: Patients with suspected Staphylococcal endocarditis, ≥2 blood cultures with S. aureus, intravenous drug use, suspected infection is reason for hospitalization Exclusion criteria: Allergy to study drugs, serum creatinine level of ≥ 220 µmol/L, presence of other infectious complications requiring prolonged therapy or surgery for cure, meningitis, MRSA, evidence of mitral or aortic valve infection, pregnancy. N total at baseline (episodes, not patients) : Intervention: 3 Control: 50 Important prognostic factors 2 : Unknown Groups not comparable at baseline Intervention group: 14 day course of vancomycin- tobramycin Control group: 14 day course of nafcillin-tobramycin Length of follow-up : 2 months, for some patients follow-up ranged until 37 months. Recurrent episode of S. aureus endocarditis (crude)* I: 2/3** C: 6/50
Setting : San Francisco General Hospital Medical Center between August 1983 and September 1987. IV vancomycin (30 mg/kg per day in 2-3 divided doses) and IV tobramycin (1 mg/kg every 8h) IV nafcillin (1.5 g, every 4h) and IV tobramycin (1 mg/kg every 8h) Loss-to-follow-up : Unclear Incomplete outcome data : Unclear *exact definition unclear **one of two described relapses had persistent fever but negative blood cultures.
Country : USA
Source of funding : Unknown
Gentry 1997 Type of study: Retrospective cohort study Setting : University of Illinois Hospital or Westside Veterans Administration Hospital in Chicago Illinois from January 1989 – December 1993. Country : USA Inclusion criteria: Initial blood cultures, valvular tissue specimens or specimens from embolic phenomena showing S. aureus as the only causative pathogen, and definite or possible infective endocarditis based on the Duke criteria Exclusion criteria: Not completing at least 10 days of primary antibiotic therapy, unless failure or death occurred within those 10 days N total at baseline (courses, not patients) : Intervention: 18 Control: 27 Important prognostic factors 2 : Sex: Intervention group: Vancomycin Exact duration of vancomycin treatment is unknown In case of switch from nafcilline to vancomycin, vancomycin was considered primary therapy as long as nafcilline was given for <5 days Serum vancomycin concentrations were Control group: Nafcillin Exact duration of nafcillin treatment is unknown In case of switch from vancomycin to nafcillin, nafcillin was considered primary therapy as long as vancomycin was given for <5 days Daily dosage of nafcilline ranged from 8-12 g/day in all patients.7% of Length of follow-up : 2 months Loss-to-follow-up : Unknown Incomplete outcome data : Unknown Length of hospital stay (crude) I: 39.8 days (± 17.7) C: 31.9 days (± 15.0) 2-month mortality (crude) I: 5/18 (28%) C: 6/27 (22%) Failure* When adjusting for confounders**, therapy with vancomycin did not remain significantly associated with failure (effect estimate not given) *defined as lack of microbiologic response, no clinical improvement, deterioration, relapse, or death during therapy or within 2 months after therapy
Source of funding : Unknown I: 44% M C: 70% M No of chronic conditions: I: 2.83 (± 1.69) C: 1.41 (± 1.47) p <0.05 IV drug use: I: 39% C: 81% p <0.05 Groups not comparable at baseline maintained in the therapeutic range for most patients. (mean peak and trough concentr. were 33.6 and 16.4 µg/ml).17% of vancomycin patients received rifampin therapy. Gentamicin was given initially to 84% of all the patients, mean duration of gentamicin therapy in vancomycin group was 13.2 days nafcilline-treated patients received rifampin therapy. Gentamicin was given initially to 84% of all the patients, mean duration of gentamicin therapy in nafcillin group was 9.7 days **adjusted for: age, IV drug use, number of chronic conditions, duration of fever and vancomycin Adverse effects (nephrotoxicity) I: 5/18 C: 4/27
González 1999 Type of study: Prospective observational cohort study Setting : Tertiary care center Hospital Universitario San Carlos in Madrid from 1 January 1990 to 31 December 1995 Country : Spain Source of funding : Unknown Inclusion criteria : Patients with bacteremic pneumonia due to S. aureus* *defined as clinical symptoms and S. aureus in culture of 2 samples of bronchial aspirate from the same patient on consecutive days AND significant S. aureus bacteremia ( S. aureus from ≥ 1 blood culture, with sepsis symptoms of unexplained by other causes) Exclusion criteria : For the analysis of treatment efficacy, patients with inappropriate antibiotic treatment, patients that were not treated over a period of >48, that died as a consequence of underlying disease before the completion of the treatment and the underlying clinical situation did not allow the response to the antibiotic to be evaluated were excluded Intervention group: Appropriate vancomycin treatment* *Defined as vancomycin in therapeutic dosage, active in vitro and recognized clinical efficacy. Exact duration unknown. ** Two patients were initially treated with vancomycin and switched to cloxacillin, are also in this group? Control group: Appropriate cloxacillin treatment* *Defined as in therapeutic dosage, active in vitro and recognized clinical efficacy. Exact duration unknown. ** Four patients were initially treated with cloxacillin and switched to vancomycin, are also in this group? Length of follow-up : Until cure or death Loss-to-follow-up : Unknown Incomplete outcome data : Unknown Mortality* (crude) I: 8/17 (47%) C: 0/10 p-value <0.1. Mortality* Not corrected for confounders, but taking into account interaction between vancomycin, shock and respiratory distress: Odds ratio of death for vancomycin treatment in presence of distress: OR 38.46 (95% CI 3.5 – 422.37). *time point of assessment unclear
N total at baseline : MSSA bacteremic pneumonia: Intervention: 17 Control: 10
Important prognostic factors 2 : Unknown
Groups not comparable at baseline
Fortún 2001 Type of study : Open randomized trial Setting : Unknown Country : Spain Source of funding : Unknown Inclusion criteria: Parental drug abuse and fever, isolation of MSSA from ≥2 blood cultures and any of the following: septic pulmonary embolization, tricuspid regurgitation murmur, and echocardiographic evidence of endocarditis. Exclusion criteria: MRSA, allergy to antibiotics used, extrapulmonary metastatic focus at enrolment or developed within the first 48h of therapy, serum creatinine >220 nmol/L, left side endocarditis, presence of nonbiological valvular prosthesis or long- term catheter, polymicrobial infections, pregnancy, or receipt of effective antimicrobial treatment during the 72h prior to the study period. Intervention group: 14 day course of vancomycin- gentamicin IV vancomycin (500 mg, every 6h) and IV gentamicin (1.5 mg/kg every 8h) Mean serum vancomcyin peak level was 36 ± 9 Control group: 14 day course of cloxacillin-gentamicin IV cloxacillin (2 g, every 4h) and IV gentamicin (1.5 mg/kg every 8h) Mean serum cloxacillin peak level was 59 ± 12 Length of follow-up : Unclear Loss-to-follow-up : Unknown Incomplete outcome data : Unknown Microbiological relapse (crude)* I: 1/10 (10%) C: 0/11 (0%) *a positive blood culture result after cessation of treatment. Adverse effects: 1 patient in vancomycin-group developed a moderate increase in serum creatinine level at the end of therapy that resolved within 1 week after withdrawal of vancomycin and the aminoglycoside, 1 other patient in vancomycin group experienced rash.
N total at baseline : Intervention: 10 Control: 11
Important prognostic factors 2 : Sex: I: 90% M C: 100% M
Mean age (range): I: 25 (18-31) C: 28 (23-38)
Groups comparable at baseline
Chang 2003 Type of study : Prospective observational cohort study Setting : 6 Tertiary care hospitals from August 1994 to March 1996 Country : Inclusion criteria : Patients with S. aureus bacteremia* *exact definition unknown Exclusion criteria : Polymicrobial bacteremia. For the analysis of antibiotic efficacy, patients that did not receive >4 days of therapy and patients with endocarditis were excluded N total at baseline : Intervention group: At least 10 days vancomycine within the first 14 days of therapy Exact duration and dosing of vancomycin not reported. Control group: At least 10 days of nafcillin within the first 14 days of therapy Exact duration and dosing of nafcillin not reported. Length of follow-up : 6 months for patients with SAB, 3 years for patients with endocarditis Loss-to-follow-up : Unknown Incomplete outcome data : Unknown Relapse* (crude) I: 5/70 C: 0/18 Relapse* Multivariable analysis : Including the factors endocarditis and hemodialysis: treatment with vancomycin versus nafcillin was significantly associated with relapse (n=5), OR = 6.5 (95% CI = 1.0-52.8, p- value 0.048).
United States? Source of funding : Unknown Intervention: 70 Control: 18 Important prognostic factors 2 : Sex: I: 61% M C: 85% M p = 0.015 *relapse is defined as a recurrent episode (return of SAB after documentation of negative blood cultures or clinical improvement) with pulsed-field gel electrophoresis patterns of sequential isolates being indistinguishable
Community acquisition: I: 31% C: 67% p = 0.001
Catheter-related infection: I: 48% C: 12% p = 0.0002
Groups not comparable at baseline
Siegman- Type of study : Inclusion criteria : Intervention group: Control group: Length of follow-up : SAB relapse** (crude) *Note:
Igra 2005 Prospective Growth of S. aureus from at least 1 blood Treatment with IV Treatment with IV Unknown I: 1/13 (8%) article
observational culture specimen, vancomycin cloxacillin C: 1/52 (2%) describes
cohort study patients who survived at least 10 d of Loss-to-follow-up : two study
appropriate therapy Standard of care: Standard of care: 2-3gr Unknown **Defined as the return of SAB after periods.
Setting : 1gr every 12h, every 6h documentation of negative blood Data
Tel-Aviv Exclusion criteria : adjusted to age and Incomplete outcome data : cultures, or after clinical recovery and extraction
Sourasky S. aureus in blood culture that was renal function to Exact duration of Unknown hospital discharge, following a course was
Medical Centre considered as contaminant achieve peak levels cloxacillin treatment of anti-staphylococcal therapy.9 performed
university of ≥20 mg/l unknown. Also patients were excluded who had a only for
hospital in Tel- N total at baseline (MSSA): unknown whether second episode of SAB interpreted as study
Aviv during 1997-1998 * Intervention: 13 Control: 52 Exact duration of vancomycin switching occurred reinfection. period 1997-
treatment unknown. Mortality 1998,
Country : Important prognostic factors 2 Also unknown Data on mortality not stratified for since in
Israel (Including MRSA episodes): whether switching MRSA and MSSA the second
Age ± SD: occurred period
Source of I: 57 (± 19) only
funding : C: 63 (± 20) patients
Unknown with
Endocarditis, n : recurrent
I: 5/55 or
C: 2/52 persistent
SAB were
Underlying conditions: enrolled in
No significant differences (details unknown) the study
Groups not comparable at baseline
PICO 2: flucloxacilline versus eerste generatie cefalosporine
Lee, 2011 Type of study: Inclusion criteria: Intervention group: Control group: Length of follow-up : 4-week overall mortality Authors
Retrospective Patients with MSSA positive blood cultures Definite therapy Definite therapy with 4 weeks Propensity score matched groups * name it a
cohort study who received cefazolin or nafcillin as with cefazolin* nafcillin* I: 4/41 (10%) case-
definite antibiotics, only first episodes Loss-to-follow-up : C: 4/41 (10%) control
Setting : *Exact definition *Exact definition None? p>0.99 study but
Tertiary care Exclusion criteria: unknown unknown there is no
hospital in Seoul Patients that were not able to be matched Incomplete outcome data : SAB-related mortality sampling of
from January on propensity score, patients that received Median duration of Median duration of None? Propensity score matched groups * cases and
2004 to June cefazolin while nafcillin was available (n=41) treatment 17 days treatment 15 days I: 1/41 (2%) controls so
2009 (IQR 10-28) (IQR 10-25) C: 5/41 (12%) seems to
N total at baseline : P=0.22 be a
Country : Intervention: 49 No details provided No details provided on ‘regular’
South-Korea Control: 84 on dose and dose and synergistic (Confounders included in PS: age, cohort
synergistic treatment McCabe classification, high-burden study
Source of Important prognostic factors : treatment disease, site of infection, focus
funding : Community-acquired, n: eradication) NB:
None I: 19/49 (39%) Propensity
C: 43/84 (51%) Adverse drug events score
I: 0/41 matching
Endocarditis, n : C: 7/41 creates
I: 1/49 (2%) p=0.02 balanced
C: 13/84 (16%) Drug-related fever (n=4), cytopenia groups in
(n=2), phlebitis (n=1) terms of
End-stage renal disease, n : measured
I: 2/49 (4%) confounder
C: 10/84 (12%) s
Groups not comparable at baseline (before
matching on PS)
Paul, 2011 Type of study: Retrospective cohort study Setting : Rabin Medical Center, Beilinson Hospital between 1998- 1994 and 1999- 2007 Country : Israel Inclusion criteria: Patients with growth of MSSA in at least 2 separate sets of blood cultures or those who fulfilled criteria for SIRS within 48h of a positive blood culture with no other source of infection, patients that were treated with a β-lactam antibiotic started within 48h after collection of positive blood cultures Exclusion criteria: Polymicrobial bacteremia death before day 7 after blood culture collection N total at baseline : Intervention: 72 Intervention group: Definitive treatment with cefazolin* * Definitive treatment was defined as treatment that was given on days 3-9 after collection of blood cultures Median duration of treatment 15 days (IQR 10-25) Control group: Definitive treatment with oxacillin* *Definitive treatment was defined as treatment that was given on days 3-9 after collection of blood cultures Median duration of treatment 15 days (IQR 10-25) Length of follow-up : 90 days Loss-to-follow-up : None? Incomplete outcome data : None? 90-day all-cause mortality Definitive treatment with cefazolin, adjusted* OR 0.91 (95%CI 0.47-1.77) *adjusted for age, poor functional capacity, hospital-acquired SAB, diabetes, malignancy, valvular heart disease, urea level, albumin level, thrombocyte level Adverse drug events Not reported
Source of funding : None Control: 281 Important prognostic factors : Not presented stratified per group, only for overall cohort: Mean age, in years (±SD): 69 (±16.8) Community-acquired, n: 66 (12.2%) Endocarditis, n: 25 (6.5%) Groups not comparable at baseline (data not presented) No details provided on dose, treatment duration and synergistic treatment No details provided on dose, treatment duration and synergistic treatment
Renaud, 2011 Type of study: Retrospective cohort study with historical controls Setting : Acute tertiary academic center between June 1 and December 31 2009 Country : Singapore Source of funding : Unknown Inclusion criteria: Hemodialysis patients with confirmed MSSA positive blood cultures that had received 2- 3g of cefazolin on HD and HD vintage >36 months (patients with anuria) For historical control cohort, HD patients who had received cloxacillin 6 months before the start of the cefazolin protocol were included Exclusion criteria: Age <21 years old, died within 2 days of hospitalization or had the following: polymicrobial or non-MSSA bacteremia or had received standard 1g cefazolin daily initially N total at baseline : Intervention: 14 Control: 13 Important prognostic factors : Diabetes mellitus: I: 79% C: 77% NS Intervention group: 2-3 gr cefazolin, administered over 5 minutes immediately during the patient’s disconnection from the HD circuit. Patients were discharged to complete 2 weeks of cefazolin at their HD centers once clinically better, C- reactive protein (CRP) improved, and blood culture was negative No details provided on synergistic treatment Control group: IV cloxacillin 500- 2000mg 4 times a day through a PICC Patients were switched to oral equivalent upon bacteremia clearance and improvement in CRP No details provided on synergistic treatment Length of follow-up : 30 days Loss-to-follow-up : None? Incomplete outcome data : None? 30-day all-cause mortality (crude) I: 1/14 C: 2/13 Infection recrudescence* (crude) I: 0 C: 2/13 (15%) p=0.14 *Defined as the isolation of MSSA from a repeat blood culture during the follow-up period or readmission after blood culture had become sterile on initial treatment within 30 days Mean length of stay (crude) I: 10 days C: 20 days P<0.05 Adverse drug events (crude) I: 3 C: 0 n=2 Steven Johnson syndrome, 1 severe leukopenia
Catheter-related infection I: 35.7% C: 38.5% NS
Groups not comparable at baseline (historical controls)
Li, 2014 Type of study: Inclusion criteria: Intervention group: Control group: Length of follow-up : 30-day all-cause mortality (crude) No
Retrospective Patients with ≥1 positive blood culture for ≥10 days of therapy ≥10 days of therapy 90 days I: 0 definition
cohort study MSSA (only the first episode) and with cefazolin with oxacillin C: 1/34 (3%) provided
complicated bacteremia*, ≥18 years old, Loss-to-follow-up : p=0.37 for
Setting : received ≥10 days of therapy with cefazolin n=41 of intervention n=32 (94%) of control None? recurrence
Two tertiary or oxacillin group received group received 90-day all-cause mortality (crude) or relapse
care hospitals in 6g/day, n=1 8g/day, 12g/day, mostly with Incomplete outcome data : I: 0 of
San Antonio, *Complicated bacteremia was defined as ≥1 n=2 4g/day continuous infusions None? C: 1/34 (3%) infection,
Texas between positive blood culture and at least one of (adjusted for renal p=0.37 the
January 2008 the following: positive follow-up blood function), mostly Median duration of numbers of
and June 2012 cultures within 5d of therapy initiation, with continuous therapy 31 days (IQR Recurrence of bacteremia* (crude) relapse of
evidence of metastatic spread, infected infusions 21-42) I: 1/59 (2%) infection
Country : prostheses not removed within 4d and N=12 received 2g C: 2/34 (6%) used in
USA presence of endocarditis after every n=4 (11%) patients p=0.55 literature
hemodialysis treated with review
Source of Exclusion criteria: session, n=3 synergistic gentamicin, Relapse of infection* (crude) above
funding : Uncomplicated or polymicrobial bacteremia, received 3g n=1 with rifampin in I: 4/59
Unknown received empirical antibiotics for ≥72h, or following dialysis addition to gentamicin C: 3/34
received other antibiotics active against session p=0.1
MSSA during treatment
Median duration of *No definition provided
N total at baseline : therapy 39 days
Intervention: 59 (IQR 28-44) Adverse drug events (crude)
Control: 34 I: 2/59 (3%)**
n=5 (8%) patients C: 10/34 (30%)***
Important prognostic factors : treated with p<0.001
Sex: synergistic **n=1 rash, n=1 diarrhoea
I: 75% M gentamicin, n=3 ***n=6 elevated transaminases, n=1
C: 82% M with rifampin in rash, n=1 elevated creatinine, n=1
p = 0.45 addition to leukopenia, n=1 other
gentamicin
IV drug use:
I: 32%
C: 30%
p = 0.6
End-stage renal disease :
I: 25%
C: 0%
p <0.001
Osteoarticular source of infection :
I: 31%
C: 59%
p = 0.009
Groups not comparable at baseline
Bai, 2015 Type of study: Retrospective cohort study Setting : Six acute-care academic and community hospitals in the Greater Toronto Area between 1 April 2007 to 31 March 2010 Country : Canada Source of funding : Study was carried out as part of routine work, several authors received grants (see Funding section of manuscript) Inclusion criteria: Patients with MSSA bacteremia (≥1 positive blood culture) that were treated with cefazolin or cloxacillin as the predominant antibiotic during their antibiotic course (defined as the only antibiotic used for >3d and for the majority (>50%) of the time during the antibiotic course Exclusion criteria: Age <18 years, if any of the following occurred within 3d of blood culture: death, left against medical advice, deemed palliative N total at baseline : Intervention: 105 Control: 249 Important prognostic factors : Sex: I: 55% M C: 67% M p = 0.0532 Endocarditis : I: 2% C: 12% p=0.0018 Mechanical ventilation within 7d of blood culture : I: 15% C: 25% p = 0.0497 Intervention group: Cefazolin as predominant antibiotic Median daily dose was 3g (IQR 3-3) Median duration of therapy 17 days (IQR 13-31), for n=7 obese patients the median dose was 4g (range 3-6g) n=9 (9%) cefazolin patients received gentamicin as synergistic treatment Control group: Cloxacillin as predominant antibiotic Median daily dose was 12g (IQR 8-18) Median duration of therapy 19 days (IQR 13-34) n=18 (7%) cloxacillin patients received gentamicin as synergistic treatment Length of follow-up : 90 days Loss-to-follow-up : Unclear Incomplete outcome data : Unclear 90-day all-cause mortality Cox proportional hazards regression model with propensity score adjustment: Cefazolin treatment, HR 0.6 (95% CI 0.36-1.01) Relapse* In groups matched on propensity score (creates balance between baseline differences) I: 6/90 (7%) C: 2/90 (2%) *Defined as any positive culture for S. aureus isolated from a suspected infectious focus after discontinuation of antibiotic course within 90days of follow-up, with same susceptibility pattern Adverse drug events Not reported Variables included in propensity score: age, sex, admission unit, onset of infection, presence of comorbidities, fever/hypotensive shock/renal insufficiency at onset of presentation, early SAB infectious foci preceding or within 3 days of blood culture and ≥2 days to appropriate antibiotics
Groups not comparable at baseline
McDanel, 2017 Type of study: Retrospective cohort study Setting : 119 acute care Veterans Affairs hospitals from Inclusion criteria: ≥1 S. aureus positive blood culture susceptible to either methicillin or oxacillin and treatment with cefazolin, nafcillin or oxacillin for definitive therapy of their MSSA infections complicated by bacteremia, only first admissions Intervention group: Definitive therapy* with cefazolin *Defined as starting a definitive antimicrobial or continuing an Control group: Definitive therapy* with nafcillin or oxacillin *Defined as starting a definitive antimicrobial or continuing an Length of follow-up : 90 days (365 days for recurrence) Loss-to-follow-up : Unclear Incomplete outcome data : 30-day all-cause mortality Multivariable* cox proportional hazards regression model: Cefazolin treatment, HR 0.63 (95%CI 0.51-0.78) *Adjustment for modified APACHE III score, Charlson comorbidity index, Authors extracted data from electronic health records (e.g. ICD-9 codes)
2003 to 2010 Exclusion criteria: empiric empiric antimicrobial Unclear skin/soft tissue infections,
Admission to a VA hospital with <25 cases of antimicrobial between day 4 and 14 endocarditis, osteomyelitis, ICU
Country : S. aureus bacteremia throughout study between day 4 and after the first positive admission, diabetes
USA period, definite treatment with both 14 after the first blood culture was
cefazolin and nafcillin or cefazolin and positive blood collected 90-day all-cause mortality
Source of oxacillin, for the recurrence analysis: death culture was Multivariable** cox proportional
funding : within 45d from first blood culture collected n=1581 (79%) of hazards regression model:
VA Health control group received Cefazolin treatment, HR 0.77 (95%CI
Services N total at baseline : n=909(78%) of empiric vancomycin 0.66-0.9)
Research and Intervention: 1163 intervention group
Development Control: 2004 received empiric No details provided on **Adjustment for modified APACHE
(HSR&D) Career vancomycin dose and treatment III score, Charlson comorbidity index,
Development Important prognostic factors : duration skin/soft tissue infections,
Awards Sex: No details provided endocarditis, osteomyelitis, ICU
I: 97% M on dose and admission, diabetes, hospital-onset
C: 99% M treatment duration infection
p = 0.031
Recurrence*
Hospital-onset infection: Multivariable** logistic regression:
I: 21% Cefazolin treatment, OR 1.13 (95% CI
C: 24% 0.94-1.36)
p = 0.018
*Defined as MSSA positive blood
APACHE III score ≥34 : cultures between 45 and 365 days
I: 56% after the first MSSA positive blood
C: 52% culture
p = 0.027
**Adjusted for modified APACHE III
Dialysis or end-stage renal disease: score, Charlson comorbidity index,
I: 15% hospital-onset infection
C: 8%
p < 0.001 Median length of stay (crude)
I: 12 days (IQR 8-18)
Diabetes: C: 13 days (IQR 9-22)
I: 40% P<0.001
C: 33%
p < 0.001 Adverse drug events
Not reported
Endocarditis :
I: 4%
C: 7%
p=0.002
Groups not comparable at baseline
PICO 3: flucloxacilline versus flucloxacilline + aminoglycoside
Korzeniow Type of study: Inclusion criteria: Intervention group: Control group: Length of follow-up : Death
ski 1982 Randomized Clinical presentation of infective Nafcillin for 6 weeks Nafcillin for 6 weeks Unknown I: 6/43
controlled trial endocarditis, ≥2 positive blood cultures for + gentamicin for 2 C: 2/35
S. aureus weeks Dosage : Loss-to-follow-up :
Setting : 9-12gr nafcillin per day n=4 in addict group Relapse*
Hospital setting, Exclusion criteria: Dosage : administered I: 0/43
further details Prosthetic valves, clearly defined non 9-12gr nafcillin per parenterally every 4h Incomplete outcome data : C: 2/35
unknown cardiac primary infections, history of severe day administered for 6 weeks n=4 in addict group
immediate allergic reaction to penicillin or parenterally every *No definition provided
Country : antimicrobial therapy >48h before 4h for 6 weeks + Mean duration of
USA? randomization gentamicin 3mg/kg nafcillin therapy : Drug-related renal dysfunction
body weight per Addicts: 31 days (IQR I: 11/43
Source of N total at baseline : day, every 8h IV or 21-42) C: 1/35
funding : Intervention: 43 IM for initial 2 Non-addicts: 44 days
Unknown Control: 35 weeks (range 33-79) Neutropenia ≤1000/µL
I: 4/43
N subgroups at baseline : Mean duration of C: 0/35
Addicts*: nafcillin therapy:
Intervention: 24 Addicts: 30 days
Control: 24 (range 8-65)
Non-addicts: 44
Nonaddicts: days (range 33-79)
Intervention: 19
Control: 11 Mean duration of
gentamicin therapy:
*defined as recent history or current Addicts: 17.9 days
evidence of parenteral drug use (range 3-31)
Non-addicts: 14
Important prognostic factors : (range 3-24)
Age, in years (of men):
Addicts:
I: 30.6 (range 20-42)
C: 30.1 (range 21-47)
Nonaddicts:
I: 60 (range 25-74)
C: 38 (range 17-67)
Valvular heart disease, n:
Addicts:
I: 13/24
C: 12/24
Nonaddicts:
I: 8/19
C: 3/11
(Sub)Groups not comparable at baseline
Ribera, 1996 Type of study: Randomized Inclusion criteria: Tricuspid endocarditis caused by S. aureus, Intervention group: Cloxacillin plus Control group: Cloxacillin alone Length of follow-up : 6 months Intention to treat: Death during treatment ITT data used for
controlled trial IV drug use gentamicin I: 2/45 literature
Dosage : Loss-to-follow-up : C: 1/45 review
Setting : Exclusion criteria: Dosage : 2 gr cloxacillin IV every Unknown
An academic Allergy to study medication, MRSA, 2 gr cloxacillin IV 4h for 14 days Relapse*
tertiary care confirmed or suspected left-sided every 4h for 14 days Incomplete outcome data : I: 1/45
hospital endocarditis by clinical examination or + gentamicin IV 1 Unknown C: 0/45
between Marc h echocardiography, vegetation on pulmonic mg/kg body weight
1998 and valves, systemic complications requiring every 8h for 7 days *defined as positive blood culture for
February 1993 prolonged therapy (i.e. osteomyelitis), S. aureus with same phage group as
antibiotic therapy >48h before original isolate
Country : hospitalization
Spain Discontinuation due to renal
N total at baseline (intention to treat) : insufficiency
Source of Intervention: 45 I: 0/45
funding : Control: 45 C: 0/45
Unknown
N total at baseline (per-protocol) : Per-protocol analysis:
Intervention: 36 Death during treatment
Control: 38 I: 2/36
C: 1/38
Important prognostic factors : p>0.2
Age, y (±SD) :
I: 27.1 (±3.4) Relapse*
C: 26.5 (±4) I: 1/36
C: 0/38
Male :
I: 26/36 (72%) *defined as positive blood culture for
C: 30/38 (79%) S. aureus with same phage group as
original isolate
Definitive endocarditis :
I: 20/36 (56%)
C: 19/38 (50%)
Comparable groups at baseline
Hughes, 2009 Type of study: Retrospective cohort study Setting : University hospital in San Antonio from 1 January 2000 and 31 December 2007 Country : Inclusion criteria: ≥18 years, absolute neutrophil counts ≥1,000 cells/mm3, meeting modified Duke’s criteria for IE and bacteremia with MSSA, receival of oxacillin for treatment Exclusion criteria: IE due to an unidentifiable/other organism than MSSA, IE treatment with drug other than oxacillin, incomplete medical records or incomplete follow-up (i.e. transfer to other hospital, switch from continuous to intermittent infusion or vice versa Intervention group : IV cloxacillin* with synergistic gentamicin use Exact definition of ‘gentamicin use’ and dose of gentamicin unknown *Either2 gr intermittent oxacillin IV over 30 Control group: IV cloxacillin* without synergistic gentamicin use *Either2 gr intermittent oxacillin IV over 30 min every 4h, or 12gr continuous IV over 24h once daily Length of follow-up : 30 days Loss-to-follow-up : Unknown Incomplete outcome data : Unknown 30-day mortality (crude) I: 7/63 (11%) C: 2/44 (5%) p=0.2 Length of hospital stay (crude)* I: 20 days C: 21 days p=0.8 *This was only reported for patients that did not die in-hospital Primary aim of study was to compare intermitte nt and continuous infusion of cloxacillin, the gentamicin analysis
USA Source of funding : None N total at baseline : Intervention: 63 Control: 44 Important prognostic factors : Not presented stratified per subgroup, for overall cohort: Male, n : 77 (72%) IV drug use, n : 86 (80%) Unknown whether groups are comparable at baseline (probably not) min every 4h, or 12gr continuous IV over 24h once daily Median duration of gentamicin therapy 4 days (range 1-14) Acute kidney injury (crude) I: 18% C: 7% p=0.1 was a subgroup analysis
PICO 4: <2 weken versus ≥2 weken
Raad, 1992 Type of study: Retrospective + prospective cohort study Setting : Two hospitals between 1984 and 1989 C ountry : USA Source of funding : Unknown Inclusion criteria: Vascular catheter in place, S. aureus isolated from ≥1 blood culture, bloodstream infection clinically manifested by ≥1 of the following: fever, chills, or leucocytosis, no other source of bacteremia except catheter, S. aureus antibiogram from catheter tip/pus insertion site the same as S. aureus from blood Exclusion criteria: Loss to follow-up within 3 months, burn victims, patients that developed early complications (i.e. endocarditis, abscess) N total at baseline : <10 days: 18 10-14 days: 18 >14 days: 10 Intervention group:

  1. <10 days of IV antibiotic duration
  2. 10-14 days of IV antibiotic duration

Antibiotic type: Group 1: Vancomycin n=6, β- lactam n=8, β- lactam+ aminoglycoside n=4 Group 2: Vancomycin n=8, β- lactam n=7, β- lactam+ aminoglycoside n=3

Control group: >14 days of IV antibiotic duration Antibiotic type: Vancomycin n=3, β- lactam n=4, β-lactam+ aminoglycoside n=3 ‘Dosing regimen of all groups was comparable’ Length of follow-up : 6 months Loss-to-follow-up : None (were excluded) Incomplete outcome data : None Late infectious complications* (crude) <10 days: 3/18 10-14days: 0/18 ≥14 days: 0/10 <14 days: 3/36 ≥14 days: 0/10 *defined as relapsing septicaemia, further definition not given
Important prognostic factors : Mean age, in years : <10 days: 39.5 10-14 days: 35.7 >14 days: 40.8 ‘Dosing regimen of all groups was comparable’
Immunocompromised, n : <10 days: 2 10-14 days: 7 >14 days: 4
Unclear whether subgroups were comparable at baseline (probably not)
Zeylemake r, 2001 Type of study: Retrospective cohort Setting : University hospital between 1994 and 1996 Country : The Netherlands Source of funding : Unknown Inclusion criteria : positive blood culture and catheter segment positive for S. aureus, adults (>18 years) Exclusion criteria : clinical evidence of an infection elsewhere, clinical evidence of endocarditis at time of admission, incomplete data N total at baseline : 0 days: 5 1-7 days: 4 7-14 days: 25 >14 days: 15 Important prognostic factors : Median age, in years (range): 0 days: 69 (62-90) 1-7 days: 41 (24-57) 7-14 days: 46 (21-85) >14 days: 57 (20-78) Intervention group:

  1. 0 days of antibiotic treatment (i.e. ineffective treatment)
  2. Antibiotic treatment 1-7 days
  3. Antibiotic treatment 7-14 days

Exact antibiotic type, dosage, proportion combination therapy and switch from IV to oral therapy of this subgroup unknown

Control group: Antibiotic treatment >14 days antibiotic treatment Exact antibiotic type, dosage, proportion combination therapy and switch from IV to oral therapy of this subgroup unknown Length of follow-up : 1 year Loss-to-follow-up : None Incomplete outcome data : None All-cause mortality (crude) 0 days: 2/5 (40%) 1-7 days: 2/4 (50%) 7-14 days: 10/25 (40%) >14 days: 5/15 (33%) 1-14 days: 12/29 (41%) >14 days: 5/15 (33%)
No of underlying diseases per patient : 0 days: 1.2 1-7 days: 1.3 7-14 days: 1.5 >14 days: 1.4
Renal failure, n : O days: 1 (20%) 1-7 days: 1 (25%) 7-14 days: 9 (36%) >14 days: 8 (53%)
Immunosuppression, n : O days: 1 (20%) 1-7 days: 2 (50%) 7-14 days: 6 (24%) >14 days: 6 (40%)
Subgroups not comparable at baseline
Jensen, 2002 Type of study: Prospective cohort Inclusion criteria : positive blood culture with S. aureus, treatment with dicloxacillin sodium Intervention group: <14 days dicloxacillin sodium Control group: ≥14 days dicloxacillin sodium Length of follow-up : 3 months 3-month SAB-related mortality** (crude) I: 17/74 (23%)
Loss-to-follow-up : C: 3/81 (4%)
Setting : Exclusion criteria : positive blood cultures Exact dosage, Exact dosage, None p = 0.001
4 community that were considered contamination, proportion proportion
hospitals in patients who died <3 days after positive combination combination therapy Incomplete outcome data : 3-month SAB-related mortality**
Copenhagen County from blood culture, survival without treatment therapy and switch from IV to oral and switch from IV to oral therapy of this None Multivariable logistic regression: Duration of treatment ≥14 days a,
May 1994 N total at baseline : therapy of this subgroup unknown adjusted* OR 0.84 (95% CI 0.76-0.94)
through April Intervention: 74 subgroup unknown
1996 Control: 81 aauthors write about a protective
effect of longer treatment in abstract,
Country : Important prognostic factors : so assume the adjusted OR accounts
Denmark Not presented stratified per group, only for for longer treatment and not for
overall cohort: treatment <14d (unclear in article)
Source of
funding : Median age, in years (range): 64 (0-94) *adjusted for focus removal, focus not
Research Diabetes type II, n: 23 (8%) eradicated, septic shock, total daily
fellowship from Hospital-acquired SAB, n : 147 (53%) dose dicloxacillin <4g, age ≥60,
Danish Research IV catheter as primary focus, n : 68 (24%) community-acquired, male, time from
Council, Endocarditis, n : 22 (8%) onset symptoms to positive culture
Copenhagen MRSA, n : 3 (1%) >3d, malignancy, secondary focus
Unclear whether subgroups were **defined as death <5wks after
comparable at baseline (probably not) positive blood culture or in connection
with recurrence of SAB
Fätkenheu er 2004 Type of study: Retrospective cohort study Inclusion criteria: Positive blood culture for S. aureus Intervention group: Antibiotic treatment <14 days Control group: Antibiotic treatment ≥ 14 days Length of follow-up : 1 year 1-year mortality (crude) Antibiotic treatment >14 days, p >0.05*
Setting : University clinic of Cologne between 1 January 1997 and 31 December 2000 Exclusion criteria: Missing data on antibiotics, death while receiving antibiotic treatment, referral to other hospital or discharge with ongoing antibiotic treatment N total at baseline : 160 Intervention: 87 Control: 73 Type of antibiotics, switching and dosage of this particular group unknown Type of antibiotics, switching and dosage of this particular group unknown Loss-to-follow-up : n=11 (4.8%) Incomplete outcome data : n=11 of overall cohort (4.8%) * No further details provided NB: number of patients in fig.3 regarding survival curve and log-rank test are different from numbers in text?
Country : Germany Source of funding : Unknown Important prognostic factors : Not presented stratified per group, only for overall cohort: Mean age, in years (±SD): 56.1 (±17.9) Cardiac disease, n : 70 (31%) Nosocomial acquisition, n: 177 (77%) Venous catheter as source, n: 80 (35%) MRSA, n : 13 (5.7%) Time to antibiotic therapy >48h from onset
of SAB, n : 26 (12.3%) Unclear whether groups were comparable at baseline (probably not)
Khosrovan eh, 2005 Type of study: Prospective cohort study Inclusion criteria: Adult (≥18 years) inpatients with ≥1 positive blood culture for S. aureus and with soft tissue infection* Intervention group: Short course therapy* *No definition provided Type of antibiotics, switching and dosage of this particular group unknown (i.e. entire cohort was treated with among others IV vancomycin or beta-lactams, change to oral antibiotic and switching of antibiotic also occurred) Control group: Long course therapy* *No definition provided Type of antibiotics, switching and dosage of this particular group unknown (i.e. entire cohort was treated with among others IV vancomycin or beta- lactams, change to oral antibiotic and switching of antibiotic also occurred) Length of follow-up : 14-440 days (for n=25 survivors) Relapse* (crude) I: 0 C: 1/18
Setting : Teaching hospital in Detroit area from 1 January 2002 to 30 June 2003 *soft-tissue associated bacteremia was defined as: ≥1 positive blood cultures, systemic manifestations of infection, presence of focal signs or symptoms of soft tissue inflammation/necrosis and no other sources of bacteremia Loss-to-follow-up : n=5 (10%) Incomplete outcome data : n=5 (10%) *no definition provided
Country : USA Exclusion criteria: ≤4 days of therapy
Source of funding : Medical Education Funds, St. John Hospital N total at baseline : Intervention: 23 Control: 18 Important prognostic factors : Not presented stratified per subgroup, only for overall cohort:
Median age, in years (range): 60 (21-103) Male : 56% Congestive heart failure : 60% Diabetes : 40% Oxacillin resistance: 52%
Unclear whether subgroups were comparable at baseline (probably not)
Thomas, 2005 Type of study: Prospective cohort Setting : Six hospitals from July 1996 to December 1999 Country : New Zealand Inclusion criteria : adult patients (>16 years) with intravascular cannula-associated SAB* (CASAB) *defined as S. aureus isolated from blood culture(s) and an intravascular cannula in situ, or had a cannula removed no more than 72h before positive blood culture, and who had no other source for their SAB Exclusion criteria : death within 30 days of CASAB episode?, complicating focus of Intervention group: Intravenous antibiotic treatment ≤14 days Exact antibiotic type, dosage, proportion combination therapy of this subgroup unknown Control group: Intravenous antibiotic treatment ≥15 days Exact antibiotic type, dosage, proportion combination therapy of this subgroup unknown (in overall cohort, ‘vancomycin, beta- Length of follow-up : 12 weeks Loss-to-follow-up : 16/254 (6%)? Incomplete outcome data : None Relapse* (crude) ≤14 days: 5/214 (2%) ≥15 days: 4/40 (10%) p = 0.037 *defined as relapse of deep-seated infection caused by the same strain of S. aureus (determined by PFGE) after apparently successful completion of initial treatment, excluding recurrent episodes of CASAB
Source of funding : Financial support by Auckland Infectious Disease Education and Research Trust infection during initial treatment which resulted in prolongation of treatment N total at baseline (episodes) : 0-7 days: 37 8-14 days: 132 15-21 days: 55 >21 days: 30 Important prognostic factors : Not presented stratified per group, only for overall cohort: (in overall cohort, ‘vancomycin, beta- lactam, and other agents’ were used) lactam, and other agents’ were used)
Median age, in years (range): 52 (17-93)
Renal impairment, n: 118 (43%) Steroid treatment, n : 49 (18%) MRSA, n : 16 (5%) Endocarditis, n : 10 (3%)
Subgroups not comparable at baseline (authors state that cancer diagnosis and bacteremia from peripheral venous cannula were sign. associated with shorter duration of treatment, but no details provided)
Kreisel, 2006 Type of study: Retrospective cohort study Setting : Veteran Health Care Center (VAMHCS) from 1995 to 2004 in Maryland Country : USA Source of funding : VA Research and Development Merit Award Inclusion criteria: ≥1 documented blood culture with S. aureus, survival of initial treatment course for that infection, patient at VAMHCS from 1995 to 2004 Exclusion criteria: S. aureus infection without bacteremia, not the first S. aureus infection N total at baseline: Intervention: 231 Control: 110 Important prognostic factors : Not presented stratified per group, only for overall cohort: Mean age, in years (±SD): 62.52 (±13.95) Male, n : 393 (>99%) MRSA, n : 171 (43%) Endocarditis, n : 56 (14%) Intervention group: Duration of effective antibiotic therapy* ≤14 days *defined as an antibiotic to which the patient’s isolate was susceptible Type of antibiotics, switching and dosage of this particular group unknown (i.e. entire cohort was treated with among others vancomycin or beta- lactams) Control group: Duration of effective antibiotic therapy* >14 days *defined as an antibiotic to which the patient’s isolate was susceptible Type of antibiotics, switching and dosage of this particular group unknown (i.e. entire cohort was treated with among others vancomycin or beta- lactams) Length of follow-up : Unclear Loss-to-follow-up : None? Incomplete outcome data : None Recurrence* Shorter duration of effective antibiotic therapy ≤14 days, adjusted** OR 0.58 (0.32-1.05) **adjusted for HIV infection, diabetes and infection due to MRSA *Recurrence was defined as a positive culture with the same susceptibility to methicillin from a normally sterile site after clearance of the initial infection NB. Patients with endocarditis were excluded from regression
Central-line associated source, n : 88 (49%) Ineffective empiric therapy, n : 94 (24%) Unclear whether groups were comparable at baseline (probably not)
Landman, 2011 Type of study: Retrospective cohort study Inclusion criteria: First isolation of S. aureus from >1 blood culture bottle, age ≥18 years Intervention group: <14 days of antibiotic treatment Control group: ≥14 days of antibiotic treatment Length of follow-up : 3 months Relapse* (crude) I: 3/26 (12%) C: 1/53 (2%)
Setting : Hospital between November 2008 and October 2009 C ountry : The Netherlands Source of funding : None Exclusion criteria: Death within 2 weeks N total at baseline : Intervention: 26 Control: 53 Important prognostic factors : Not presented stratified per treatment duration subgroup, only for overall cohort: Median age, in years (range): 72 (33-94) Male, n : 63 (68%) Diabetes, n : 16 (17%) Presence foreign body material, n : 26 (28%) Endocarditis, n : 7 Unclear whether subgroups were comparable at baseline (probably not) Median duration of treatment: 7 (range 2-12) n=2 (8%) only treated with oral antibiotics, n=5 treated with clindamycin, n=1 treated with ciprofloxacin Other details on types of antibiotics, switching and dosage of this particular subgroup unknown Median duration of treatment unknown Type of antibiotics, switching and dosage of this particular subgroup unknown Loss-to-follow-up : None Incomplete outcome data : None *defined as new positive culture for S. aureus after clinical improvement
Chong, 2013 Type of study: Prospective cohort study Setting : Hospital between August 2008 and September 2010 C ountry : Republic of Korea Source of funding : Future-Based Technology Development Program (grant no.2011- 0029936 and 2011-0029937) Inclusion criteria: Adult patients with uncomplicated S. aureus bacteremia* *Defined as: 1. negative follow-up blood culture 2-4 days after bacteremia, 2. defervescence < 72h of therapy, and 3. no evidence of metastatic infection among patients with catheter-related bloodstream infection or with primary bacteremia without evidence of endocarditis on TTE or TEE Exclusion criteria: Polymicrobial bacteremia, death before positive blood culture results were reported, clinically insignificant SAB, not admitted to hospital N total at baseline : Intervention: 38 Control: 73 Important prognostic factors : Median age, in years (IQR) : I: 63 (51-73) C: 59 (49-67) Peripheral catheter-related infection, n : I: 17 (44.7%) C: 14 (19.2%) p<0.01 MRSA, n : I: 18 (47%) C: 35 (48%) Subgroups not comparable at baseline Intervention group: <14 days of IV antibiotic duration Antibiotic type : MSSA: Cefazolin n= 11 Nafcillin n=9 Vancomycin n=0 MRSA: Linezolid n=2 Teicoplanin n=0 Vancomycin n=16 Combination therapy: 1 (2.6%) n=5 patients received oral antibiotics after parental antibiotics All patients received standard doses Control group: ≥14 days of IV antibiotic duration Antibiotic type : MSSA: Cefazolin n= 17 Nafcillin n=18 Vancomycin n=3 MRSA: Linezolid n=2 Teicoplanin n=4 Vancomycin n=29 Combination therapy: 4 (5.5%) n=1 patients received oral antibiotics after parental antibiotics All patients received standard doses Length of follow-up : 12 weeks Loss-to-follow-up : None? Incomplete outcome data : None? 12-week relapse* (crude) I: 3/38 (7.9%) C: 0 p=0.04 *defined as recurrent S. aureus infection with same antibiogram and PFGE pattern after apparently successful completion of antistaphylococcal therapy for uncomplicated SAB 12-week all-cause mortality (crude) I: 7/38 (18.4%) C: 16/73 (21.9%) p = 0.67 Treatment failure*, Multivariable logistic regression: Duration of treatment, p =0.19 Adjusted for type of infection, Charlson comorbidity score and malignancy *defined as any of the following: 1 relapse of S. aureus bacteremia or deep-seated infection or 2. death due to any cause after completion of antistaphylococcal therapy
Kempley, 2015 Type of study: Retrospective cohort study Setting : Two tertiary neonatal units between 2001 and 2010 C ountry : United Kingdom Source of funding : None Inclusion criteria: Isolation of S. aureus from a blood culture, taken from a peripheral vein Exclusion criteria: Death while still receiving therapy or discharge to other unit N total at baseline : Duration 0-13 days: 9 Duration 14-27 days: 51 Duration ≥28 days: 19 Important prognostic factors : Not presented stratified per subgroup, only for overall cohort: Gestational age at birth, in weeks (range): 27 (23-41) Median birth weight, in grams (range): 846 (434-3840) Postnatal age, in days (range): 16 (0-116) Central line when S. aureus isolated, n : 52 (58%) MRSA,n: 6 (7%) Unclear whether subgroups were comparable at baseline (probably not) Intervention group: <14 days of antibiotic duration Type of antibiotics, switching and dosage of this particular subgroup unknown (i.e. entire cohort was treated with among others IV vancomycin or beta-lactams, change to oral antibiotic and switching of antibiotic also occurred) Control group:

  1. 14-27 days of antibiotic duration
  2. ≥27 days of antibiotic duration

Type of antibiotics, switching and dosage of this particular subgroup unknown (i.e. entire cohort was treated with among others IV vancomycin or beta-lactams, change to oral antibiotic and switching of antibiotic also occurred)

Length of follow-up : Unclear Loss-to-follow-up : n=2? Incomplete outcome data : n=2? Mortality (crude) I: 0 C: 0 Recurrent S. aureus bacteraemia* (crude) I: 0 C: 0 *defined as any clinical illness with isolation of S. aureus in blood after stopping appropriate antibiotic therapy, recorded in the hospital or laboratory record during the first year of life

Risk of bias assessment for observational intervention studies (per PICO op jaar van publicatie)

Study reference Bias due to a non- representative or ill-defined sample of patients? 1 (unlikely/likely/unclear) Bias due to insufficiently long, or incomplete follow-up, or differences in follow-up between treatment groups? 2 (unlikely/likely/unclear) Bias due to ill-defined or inadequately measured outcome? 3 (unlikely/likely/unclear) Bias due to inadequate adjustment for all important prognostic factors? 4 (unlikely/likely/unclear)
PICO 1: flucloxacilline versus vancomycine
Chambers 1988 Unlikely Likely Length of follow-up seems to differ between treatment groups. Likely Definition of relapse is unclear Likely No adequate adjustment for confounders
Gentry 1997 Unlikely Unclear The loss to follow-up was not reported. Unlikely Hard outcome (death) Likely No adequate adjustment for confounders
González 1999 Unlikely Unclear The loss to follow-up was not reported. Unlikely Hard outcome (death) Likely No adequate adjustment for confounders
Chang 2003 Unlikely Unclear The loss to follow-up was not reported. Unlikely Semi-hard outcome (relapse) Likely No adequate adjustment for confounders
Siegman-Igra 2005 Unlikely Unclear The loss to follow-up was not reported. Unlikely Semi-hard outcome (relapse) Likely No adequate adjustment for confounders
PICO 2: flucloxacilline versus eerste generatie cefalosporine
Lee, 2011 Unlikely Unclear The loss to follow-up was not reported Unlikely Hard outcome (mortality), might be different for other outcomes Unlikely (Although there is always residual confounding)
Paul, 2011 Unlikely Unclear Unlikely Unclear
The loss to follow-up was not reported Hard outcome (mortality) Baseline characteristics not reported for different groups
Renaud, 2011 Likely Sampling of historic controls Unclear The loss to follow-up was not reported Unlikely Hard outcome (mortality), might be different for other outcomes Likely No adjustment for confounders
Li, 2014 Unlikely Unclear The loss to follow-up was not reported Unlikely Hard outcome (mortality), might be different for other outcomes Likely No adequate adjustment for confounders
Bai, 2015 Unlikely Unclear The loss-to follow-up was not reported Unlikely Hard outcome (mortality), might be different for other outcomes Unlikely (Although there is always residual confounding)
McDanel, 2017 Unlikely Unclear The loss-to follow-up was not reported Unlikely Hard outcome (mortality), might be different for other outcomes Unlikely (Although there is always residual confounding)
PICO 3: flucloxacilline versus flucloxacilline + aminoglycoside
Hughes, 2009 Likely Limited representability: 80% IV drug users Unclear The loss to follow-up was not reported Unlikely Hard outcome (mortality), might be different for other outcomes Likely No adjustment for confounders
PICO 4: <2 weken versus ≥2 weken
Fätkenheuer 2004 Unlikely Unlikely Loss to follow-up 4.8% Unlikely Hard outcome (mortality) Likely No adjustment for confounders
Kreisel, 2006 Unlikely Unclear Unclear whether there were differences in follow-up time between patients Unlikely Well-defined outcome (recurrence) Likely Inadequate adjustment for important confounders
Khosrovaneh, 2005 Unlikely Likely Loss to follow-up 10% Likely Outcome (relapse) not defined Likely No adjustment for confounders
Landman, 2011 Unlikely Unlikely Unlikely Well-defined outcome (recurrence) Likely No adjustment for confounders
Kempley, 2015 Unlikely Unclear Unclear whether there were differences in follow-up time between patients Unlikely Hard outcome (mortality) and well- defined outcome (recurrence) Not applicable No events
Raad, 1992 Unlikely Unclear Subjects that were loss to follow-up were excluded Unclear Unclear definition of outcome Likely No adjustment for confounders
Chong, 2013 Unlikely Unlikely Unlikely Hard outcome (mortality) and well- defined outcome (recurrence) Likely Adjustment for few confounder in multivariable regression
Jensen, 2002 Unlikely Unlikely Unlikely Well-defined outcome (recurrence) Unclear Unclear multivariable regression analysis
Zeylemaker, 2001 Unlikely Unclear Subjects that were loss to follow-up were excluded Unlikely Hard outcome (mortality) Likely No adjustment for confounders
Thomas, 2005 Unlikely Unclear Unclear whether there were differences in follow-up time between patients Unlikely Well-defined outcome (recurrence) Likely No adjustment for confounders

ol>

  • Failure to develop and apply appropriate eligibility criteria: a) case-control study: under- or over-matching in case-control studies; b) cohort study: selection of exposed and unexposed from different populations.
  • Bias is likely if: the percentage of patients lost to follow-up is large; or differs between treatment groups; or the reasons for loss to follow-up differ between treatment groups; or length of follow-up differs between treatment groups or is too short. The risk of bias is unclear if: the number of patients lost to follow-up; or the reasons why, are not reported.
  • Flawed measurement, or differences in measurement of outcome in treatment and control group; bias may also result from a lack of blinding of those assessing outcomes (detection or information bias). If a study has hard (objective) outcome measures, like death, blinding of outcome assessment is not necessary. If a study has “soft” (subjective) outcome measures, like the assessment of an X-ray, blinding of outcome assessment is necessary.
  • Failure to adequately measure all known prognostic factors and/or failure to adequately adjust for these factors in multivariate statistical analysis.
  • Risk of bias assessment for randomised intervention studies (per PICO op jaar van publicatie)

    Study Method of Bias due to Bias due to Bias due to inadequate Bias due to inadequate Bias due to selective outcome reporting on basis of the results? 4 (unlikely/likely/ unclear) Bias due to loss to follow-up? 5 (unlikely/likely/unclea r) Bias due to violation of intention to treat analysis? 6 (unlikely/likely/unclea r)
    reference randomisatio n1 inadequate concealment of allocation? 2 inadequate blinding of participants to blinding of care providers to treatment allocation? 3 blinding of outcome assessors to treatment allocation? 3
    treatment allocation? 3 (unlikely/likely/unclear)
    (unlikely/likely/un (unlikely/likely/un
    clear) clear) (unlikely/likely/unclear)
    PICO 1: flucloxacilline versus vancomycine
    Fortún 2001 Not described Unclear Unlikely Unclear Unlikely Unlikely Unclear Likely
    Randomisation process is not described Detection bias unlikely Unclear whether treatment allocation could have influenced clinical care process Semi-hard outcome (relapse) Well-predefined outcome The loss to follow-up was not reported 3 randomized patients were not evaluated for efficacy
    PICO 3: flucloxacilline versus flucloxacilline + aminoglycoside
    Korzeniows ki 1982 Assignment according to table of random numbers Likely Incomparable groups at baseline Unlikely Unclear Unclear whether treatment allocation could have influenced clinical care process Unlikely Hard outcome (mortality and relapse) Unlikely All outcomes reported Unclear Seems to be no selective follow-up Unlikely All randomized patients are reported
    Ribera 1996 Assignment according to sealed envelopes (blocks of 10) Unlikely Unlikely Unclear Unclear whether treatment allocation could have influenced clinical care process Unlikely Hard outcome (mortality and relapse) Unlikely All outcomes reported Unclear Loss to follow-up not described Unlikely Both ITT and per- protocol analysis are reported

    ol>

  • Randomisation: generation of allocation sequences have to be unpredictable.
  • Allocation concealment: refers to the protection (blinding) of the randomisation process. Concealment of allocation sequences is adequate if patients and enrolling investigators cannot foresee assignment, for example central randomisation (performed at a site remote from trial location) or sequentially numbered, sealed, opaque envelopes. Inadequate procedures are all procedures based on inadequate randomisation procedures or open allocation schedules
  • Blinding: neither the patient nor the care provider (attending physician) knows which patient is getting the special treatment. Blinding is sometimes impossible, for example when comparing surgical with non- surgical treatments. The outcome assessor records the study results. Blinding of those assessing outcomes prevents that the knowledge of patient assignment influences the process of outcome assessment (detection or information bias).
  • Results of all predefined outcome measures should be reported
  • If the percentage of patients lost to follow-up is large, or differs between treatment groups, or the reasons for loss to follow-up differ between treatment groups, bias is likely. If the number of patients lost to follow-up, or the reasons why, are not reported, the risk of bias is unclear
  • Participants included in the analysis are exactly those who were randomized into the trial. If the numbers randomized into each intervention group are not clearly reported, the risk of bias is unclear; an ITT analysis implies that (a) participants are kept in the intervention groups to which they were randomized, regardless of the intervention they actually received, (b) outcome data are measured on all participants, and (c) all randomized participants are included in the analysis,
  • Hoe weet je of je drager bent van stafylokokken?

    U kunt drager zijn van deze bacterie zonder daar iets van te merken. Er zijn mensen waarbij de bacterie steeds voor wat ernstiger medische problemen zorgt, bijvoorbeeld wondinfecties na operaties of steeds terugkomende steenpuisten.

    Welke mensen lopen extra risico bij een besmetting met MRSA?

    Wat is het verschil tussen meticilline-resistente Staphylococcus aureus en gewone Staphylococcus aureus? – Staphylococcus aureus is een bacterie die ongeveer één op drie gezonde Nederlanders bij zich draagt. Meestal zit de bacterie in de neus of op de huid; soms in de keel, darmen of urine.

    1. De meeste mensen worden niet ziek van deze bacterie.
    2. MRSA Methicilline-resistente Staphylococcus aureus (Methicilline-resistente Staphylococcus aureus ) is een bijzondere Staphylococcus aureus die in tegenstelling tot de gewone Staphylococcus aureus ongevoelig is voor veel antibiotica.
    3. De afkorting staat voor ‘Methicilline Resistente Staphylococcus aureus’.

    MRSA kan zich goed ontwikkelen op plaatsen waar veel antibiotica worden gebruikt, zoals in ziekenhuizen en verpleeghuizen en wordt daarom ook wel ‘de ziekenhuisbacterie’ genoemd. Minder dan 1% van de Nederlanders draagt MRSA bij zich. MRSA-dragerschap is meestal van tijdelijke aard, met andere woorden: men raakt de bacterie ook weer vanzelf kwijt.

    Sommigen krijgen echter infecties als steenpuisten of krentenbaard. In zeldzame gevallen ontstaat bloedvergiftiging, longontsteking of botinfectie. De bacterie kan vooral gevaarlijk zijn voor mensen die al ziek zijn, zoals patiënten op intensive-care-afdelingen, of mensen met open wonden of huidaandoeningen.

    Hoewel de meest gebruikte antibiotica, zoals penicillines niet werken tegen MRSA zijn vaak nog wel alternatieve antibiotica te gebruiken.

    Wat betekent aureus?

    Aureus Aureus van, met zijn voorganger Aureus van De aureus (meervoud: aurei ) is een van het, die het eerst geslagen werd onder rond 85 v.Chr. begon de aureus frequent aan te munten. Onder zijn regering werd het gewicht vastgesteld op 1/40 van een, ofwel ruim 8 gram, maar in later eeuwen werd het gewicht wat naar beneden gebracht.

    1. Het goudgehalte bleef echter gelijk, zo’n 99 %.
    2. De waarde was aanvankelijk 25, 100 of 400, maar met de inflatie van de denarius in de liep de waarde sterk op tot meer dan 800 denarii in het jaar 301.
    3. Verving de aureus door een iets lichtere gouden munt, de, die echter platter is en daardoor ongeveer even groot.

    Onder is de aureus een hoog gewaardeerde munt, die ook in matige staat voor minder dan 1000 euro niet te vinden is. Een van de redenen is de vaak realistische kwaliteit van de keizers.

    • Klassiek portret van (37 v.Chr.)
    • Keerzijde van een aureus van (27 v.Chr.)
    • Aureus van (147-150 n.Chr.),
    • Zeer ongewoon portret van, de keizer van het, op een aureus uit
    • Een late aureus, van keizer (283-284)

    Hoe kom je van bacterie af?

    Wat zijn antibiotica? – Bij ernstige bacteriële infecties schrijft de huisarts soms antibiotica voor. Er zijn meerdere soorten antibiotica. Antibiotica zijn medicijnen gemaakt van (een deel van) micro-organismen, zoals bacteriën en schimmels. Er zijn veel soorten bacteriën die in verschillende groepen te verdelen zijn.

    Hoe ziet stafylokokken eruit?

    Stafylokokken
    Gram gekleurde Staphylococcus aureus
    Taxonomische indeling
    Rijk : Bacteria
    Stam : Firmicutes
    Klasse : Cocci
    Orde : Bacillales
    Familie : Staphylococcaceae

    /td> Geslacht Staphylococcus Rosenbach 1884 Afbeeldingen op Wikimedia Commons Stafylokokken op Wikispecies

    Portaal Biologie

    /td>

    Het geslacht Staphylococcus (uit het Grieks betekent letterlijk: druiventrosbes ) zijn bacteriën die behoren tot de familie Staphylococcaceae, Het geslacht heeft ongeveer 20 soorten.S. aureus, S. epidermidis en de S. saprophyticus worden het meest geïsoleerd bij de mens als ziekteverwekker.

    • In 1880 werd de S.
    • Aureus beschreven door Alexander Ogston,
    • De bacterie is onbeweeglijk, katalase -positief, oxidase -negatief en groeit facultatief anaeroob,
    • De kolonies zijn rond en hebben een wit tot goudgeel pigment.
    • De bacterie wordt vaak beschreven als een nosocomiaal pathogeen : dit wil zeggen dat de bacterie vaak door ziekenhuisbezoek opgelopen wordt.

    Niettemin heeft ook een aanzienlijk percentage van de gezonde mensen de bacterie op de huid of in de neus zonder er ziek van te worden. De infecties met S. aureus zijn vaak acuut en pyogeen (etterig) van aard. In het ergste geval kan de bacterie zich verspreiden door middel van een bacteriëmie,S.

    Aureus heeft een hoge morbiditeit en mortaliteit als nosocomiaal pathogeen. De bacterie veroorzaakt een verscheidenheid van infecties, uiteenlopend van impetigo (een huidinfectie) tot TSS ( toxischeshocksyndroom ) tot ernstige endocarditis, De bacterie is in een Grampreparaat waar te nemen als kokken, in groepjes en los (druiventros).

    De kleur wordt dan aangeduid als gram-positief,

    Wat zijn de symptomen van streptokokken?

    Wat merk ik van de GAS? – Door de groep A streptokok kunt u ontstekingen krijgen:

    verkouden met keelpijn, opgezette amandelen in de keel en klieren in uw hals koorts roodvonk met een bobbelige tong en rode uitslag op uw huid. een huidontsteking krijgen, meestal bij een wondje op uw onderbeen. De huid wordt dan rood, gaat gloeien, glimmen en wordt dikker. We noemen dat wondroos. krentenbaard

    De bacterie kan heel soms ernstige ontstekingen geven:

    Afsterven van de huid en de weefsels daaronder. Daarom wordt de GAS ook wel eens vleesetende bacterie genoemd. Hoge koorts, rillingen, spierpijn, gewrichtspijn, sufheid, verwardheid en u kunt zelfs in coma raken. Ontstoken gewrichten. We noemen dat acuut reuma. Ontsteking van de baarmoeder. We noemen dat kraamvrouwenkoorts.

    Oorzaken

    Hoelang blijf je besmet met MRSA?

    Ik ben drager van een ongevoelige bacterie, moet ik deze behandelen? – Als u drager bent van een resistente bacterie dan heeft u daar meestal geen klachten van. U kunt dan afwachten. Vaak raakt u de bacterie binnen enkele maanden tot jaren vanzelf kwijt.

    Een behandeling is niet nodig. Bent u drager van de resistente bacterie genaamd MRSA én werkt u in de zorg, bijvoorbeeld als verpleegkundige of in de thuiszorg? Dan kan het toch verstandig zijn deze bacterie te behandelen. Dit om te voorkomen dat u de bacterie overdraagt op patiënten met weinig weerstand.

    Voor kwetsbare mensen kan de bacterie namelijk wel gevaarlijk zijn. Bespreek dit ook met uw leidinggevende. Als u MRSA-drager bent en vaak voor een behandeling in het ziekenhuis komt, kan het soms ook nodig zijn te behandelen. Behandeling

    Hoe ziet een huidinfectie eruit?

    Symptomen – Als u een huidinfectie heeft, kunt u last krijgen van verschillende klachten zoals roodheid van de huid, een zwelling, pijn, zweertjes, puistjes, huidabces en koorts.

    Waar zitten de meeste bacteriën in huis?

    Keuken is smerigste plek in huis: miljarden bacteriën in je schuurspons en vaatdoek De wc is volgens veel mensen maar een vieze plek. Toch wordt de wc qua viezigheid overtroffen door de keuken, blijkt uit onderzoek van Quest. Daar zijn namelijk de meeste bacteriën te vinden.

    De keuken is meteen de plek waar ook het smerigste voorwerp van het huis te vinden is: het schuursponsje. Omdat ze van binnen niet droog worden, kunnen bacteriën in de sponsjes goed huishouden. Ook vaatdoekjes zijn niet echt fris. Op een enkele vierkante centimeter vaatdoek leven wel miljarden bacteriën.

    Gek op schoonmaken zijn we niet, schrijft Quest op basis van een enquête onder 1000 Nederlanders. Zo maakt 14 procent van de Nederlanders de wc minder dan één keer per week schoon. Ruim 6 op de 10 mensen maakt slechts één keer per maand de koelkast schoon.

    Maar het kan nog erger: een kwart van de ondervraagden maakt zelden of nooit hun telefoon of werkbureau schoon, terwijl daar wel veel bacteriën zitten. Sommige schoonmaaktaken doen de meeste mensen gelukkig wel. Zo vervangt 7 op de 10 Nederlanders de vaatdoeken minstens een keer per week. Ruim de helft van de Nederlanders verschoont het bed minstens een keer per week.

    Bacteriën in je huis kunnen overigens lang niet allemaal kwaad. Peter Molenaar van het RIVM vertelt in het tijdschrift dat het er vanaf hangt of het schadelijke bacteriën zijn en of je een goede weerstand hebt. Bron: Editie NL : Keuken is smerigste plek in huis: miljarden bacteriën in je schuurspons en vaatdoek

    Wat zijn de symptomen van een vleesetende bacterie?

    Patiënten voelen zich vaak ziek. Later wordt de huid warm en rood en nemen de ziekteverschijnselen toe, vaak met koorts, misselijkheid en diarree. De roodheid breidt zich zeer snel uit en uiteindelijk ontstaan er ook blaren en kan de huid zwart worden. Dit kan in de loop van uren tot dagen gebeuren.

    Wat is een zeer agressieve bacterie?

    Vleesetende bacterie (NWDI) Een vleesetende bacterie wordt ook wel Necrotiserende Weke Delen Infectie (NWDI) of Fasciitis Necroticans genoemd. Een vleesetende bacterie is een acute en levensbedreigende aandoening waarbij zelfs 1 op de 5 patiënten helaas overlijdt.

    Het is vaak lastig om de diagnose snel en precies te stellen. Het betreft een ontsteking in het onderhuidse weefsel. Doordat het razendsnel leidt tot afsterving hiervan, stollen de kleine vaatjes op waardoor giftige stoffen vrijkomen. Gelukkig komt het maar zelden voor. De oorzaak is meestal een zeer klein wondje waar net de verkeerde (huid)bacterie in terecht komt.

    Deze huidbacterie draagt iedereen bij zich en is principe onschuldig. Vaak staat het opgelopen wondje niet in verhouding met de pijnklachten die mensen ervaren. Ook ervaren mensen bloedvergiftiging en kunnen zelfs in shock raken naar aanleiding van dit kleine wondje. : Vleesetende bacterie (NWDI)

    Kun je overlijden aan streptokokken?

    Is een infectie met GAS te behandelen? – De infectie is meestal goed te behandelen met medicijnen. Iemand met een ernstige invasieve GAS-infectie wordt vaak opgenomen in het ziekenhuis. Soms overlijden mensen aan zo’n ernstige GAS infectie.

    Hoe snel werkt antibiotica bij stafylokokken?

    Mupirocine doodt bacteriën, met name stafylokokken en streptokokken. Dit zijn bacteriën die vooral op huid en slijmvliezen voorkomen. Na een paar dagen merkt u dat de infectieverschijnselen afnemen.

    Hoe lang antibiotica bij Staphylococcus?

    Overwegingen – Kwaliteit van bewijs Met betrekking tot flucloxacilline versus vancomycine; flucloxacilline versus eerste generatie cefalosporine; flucloxacilline + aminoglycoside versus flucoxacilline De kwaliteit van het bewijs is zeer laag voor zowel de gunstige effecten als voor de bijwerkingen vanwege het observationele karakter van de onderzoeken, beperkingen in onderzoeksopzet en -uitvoering, onvoldoende nauwkeurigheid van de uitkomsten (kleine studies met vaak brede betrouwbaarheidsintervallen) en het de vraag is of de patiëntenpopulaties en interventies in de studies extrapoleerbaar zijn naar de populatie en interventies in de Nederlandse situatie (indirect bewijs).

    Met betrekking tot (minimaal) 2 weken intraveneuze antibiotische behandeling versus korter dan 2 weken Gezien de aanwezigheid van klinische en statistische heterogeniteit werden de data niet gepoold en konden ook geen conclusies worden getrokken. Vandaar dat de kwaliteit van het bewijs ook niet kon worden beoordeeld.

    Waarden en voorkeuren Niet van toepassing, omdat de aanbevelingen niet op het niveau van de individuele patiënt zijn geformuleerd. Kosten en middelen Het toepassen van de aanbeveling zal naar verwachting van de richtlijncommissie geen effect op de structurele kosten hebben, omdat de aanbevelingen grotendeels al aansluiten op de bestaande praktijk.

    1. Professioneel perspectief Keuze antibiotica Het streven van de werkgroep is om op grond van wetenschappelijk bewijs de juiste antimicrobiële behandeling te kiezen bij een patiënt met een S.
    2. Aureus bacteriëmie.
    3. Volgens de principes van de evidence-based geneeskunde is bewijs van de hoogste kwaliteit afkomstig van goed uitgevoerde randomized controlled trials.

    Bewijs afkomstig van observationeel onderzoek is in die opvatting per definitie van lage tot zeer lage kwaliteit. Op grond hiervan is de conclusie van het hierboven beschreven literatuuronderzoek dat de kwaliteit van het bewijs laag tot zeer laag is voor een gunstig effect van flucloxacilline versus vancomycine, van flucloxacilline plus een aminoglycoside versus flucloxacilline alleen, of van flucloxacilline versus een 1 e generatie cefalosporine.

    1. Daaruit zou ten onrechte het beeld kunnen ontstaan dat keuze van antibiotica en duur van de behandeling bij patiënten met een S.
    2. Aureus bacteriëmie geen invloed hebben op morbiditeit en mortaliteit.
    3. Een lage tot zeer lage kwaliteit van het bewijs betekent immers dat elke schatting van een effect onzeker is en dat nader onderzoek mogelijk of zelfs waarschijnlijk zal leiden tot een andere schatting van het effect.

    Ontbreken van bewijs voor effectiviteit is echter geen bewijs voor het ontbreken van effectiviteit. Door de verschillende verschijningsvormen van S. aureus bacteriëmie verschillen studies vaak in de populaties die onderzocht zijn, in eindpunten, in follow-up duur etc., etc.

    • Bovendien is de onderzoekspopulatie meestal klein en de power van de studie gering.
    • Het gevolg is dat effecten vaak statistisch niet significant zijn, een probleem dat niet opgelost kan worden door studies te poolen omdat ze daarvoor te heterogeen zijn.
    • Het antwoord hierop zal ook in de toekomst niet gegeven worden door randomized controlled trials gezien de problemen die gepaard gaan met onderzoek naar S.

    aureus bacteriëmie. In dit spanningsveld tussen wetenschappelijk onderzoek en praktijk heeft de werkgroep zich in haar aanbevelingen in hoge mate gebaseerd op klinische ervaring, uitkomsten van in-vivo en in-vitro onderzoek en biologische plausibiliteit.

    1. Bijvoorbeeld: studies die behandeling van methicillinegevoelige S.
    2. Aureus met β-lactam antibiotica vergelijken met vancomycine zijn klein en kunnen niet gepoold worden.
    3. De puntschatter van het effect is echter in het merendeel van deze studies in het voordeel van β-lactam antibiotica.
    4. Daarbij is het betere effect van behandeling met β-lactam antibiotica t.o.v.

    behandeling met vancomycine in overeenstemming met de bevindingen bij dierexperimenteel onderzoek. Bovendien laten in- vitro studies zien dat nafcilline en cefazoline lysis van S. aureus stimuleren door verhoging van de activiteit van host-defense peptides zoals cathelicidin LL-37.

    1. Dit effect treedt niet op bij gebruik van vancomycine.
    2. Omdat hier in-vitro, in-vivo en klinische data allemaal dezelfde kant op wijzen beveelt de werkgroep aan om een methicillinegevoelige S.
    3. Aureus te behandelen met flucloxacilline of een 1 e generatie cefalosporine.
    4. Dosering De dosering van antibiotica verschilt bij oncompliceerde en gecompliceerde bacteriemie.

    Ook bij geinfecteerd kunstmateriaal wordt de dosering aangepast en vaak middelen toegevoegd (rifampicine). De werkgroep verwijst voor de dosering naar het lokale antibioticum formularium en de relevante SWAB-richtlijnen. Duur behandeling De behandeling van gecompliceerde bacteriëmie bestaat uit 4 tot 6 weken intraveneus toegediende antibiotica en volgt daarmee de bestaande richtlijnen voor bijvoorbeeld de behandeling van endocarditis of spondylodiscitis.

    Een behandelduur van minder dan 14 dagen intraveneus toegediende antibiotica bij een ongecompliceerde bacteriëmie is misschien mogelijk maar op dit moment is dat nog niet overtuigend aangetoond. In afwachting van betere data blijft de geadviseerde behandelduur bij een verder ongecompliceerd beloop daarom 14 dagen intraveneus.

    Er zijn geen studies waarin patiënten met een S. aureus bacteriëmie worden gerandomiseerd naar 2 of 4 of 6 weken behandeling met antibiotica. In het verleden werden alle patiënten met een S. aureus bacteriëmie langdurig behandeld, omdat het percentage patiënten met een gecompliceerd beloop hoog was.

    1. Met de toename van het aantal nosocomiale en healthcare- related S.
    2. Aureus bacteriëmiën rees de vraag of in ongecompliceerde gevallen niet korter behandeld zou kunnen worden.
    3. Retrospectief, observationeel onderzoek suggereerde dat een behandelduur van minder dan 14 dagen intraveneus toegediende antibiotica tot meer recidieven leidt en mogelijk gepaard gaat met een hogere mortaliteit.

    De auteurs concluderen dat men terughoudend moet zijn met een korte behandelduur voor deze ernstige infecties totdat gerandomiseerd onderzoek uitsluitsel heeft gegeven (Jernigan et al., 1993). Huidige richtlijnen (U.K., USA) voor de behandeling van S.

    aureus bacteriëmie beschouwen een behandelduur van 14 dagen intraveneus toegediende antibiotica dan ook als de standaardbehandeling voor een ongecompliceerde S. aureus bacteriëmie. De kans op een gecompliceerd beloop bij deze groep patiënten wordt geschat op 2,5% (SABATO studie (PMID 26452342 ). Sinds oktober 2013 loopt in een aantal Europese landen de SABATO trial waarin patiënten met een ongecompliceerde S.

    aureus bacteriëmie na een week intraveneuze behandeling worden gerandomiseerd naar voortzetting van de intraveneuze toediening voor nog een week of switch naar orale antibiotica. Deze Europese multicenter trial heeft na vijf jaar nog steeds niet het beoogde aantal van 430 patiënten heeft kunnen includeren.

    • Het feit dat minder dan 5% van de patiënten met een S.
    • Aureus bacteriëmie wordt geïncludeerd maakt extrapolatie van de uitkomst naar de dagelijkse praktijk bij voorbaat twijfelachtig.
    • Voor de behandeling van gecompliceerde S.
    • Aureus bacteriëmie wordt 4 tot 6 weken intraveneuze behandeling aangehouden onder verwijzing naar de richtlijnen voor behandeling van endocarditis, lever- en miltabcessen, osteomyelitis, spondylodiscitis, meningitis, etc.

    Aanvaardbaarheid en haalbaarheid van de aanbeveling(en Het willen en kunnen toepassen van de aanbevelingen zal naar verwachting van de richtlijncommissie aanvaardbaar zijn voor alle stakeholders, omdat dit aansluit bij de huidige praktijk. Balans van gewenste en ongewenste effecten Ad keuze antibiotica: De wenselijke effecten (minder recidieven, kortere ziekenhuisopname en lagere mortaliteit) afwegend tegen de onwenselijke effecten (bijwerkingen medicatie) en kosten valt de balans ten gunste van de behandeling met β-lactam antibiotica.

    Ad duur behandeling: De grote onzekerheid over de effecten van een kortere behandelduur maakt het niet mogelijk een uitspraak te doen over de balans van gunstige en ongunstige effecten. Rationale van de aanbeveling(en) Ad keuze antibiotica: Leidend bij het opstellen van de aanbevelingen was het feit dat de conclusies bijna allemaal in het voordeel van β-lactam antibiotica wijzen.

    Deze bevindingen zijn ook in lijn met de bevindingen bij dierexperimenteel en in vitro onderzoek. Ad duur behandeling: Bij het opstellen van de aanbeveling is geen rekening gehouden met de resultaten van het systematisch review, omdat er geen conclusies konden worden getrokken vanwege de aanwezigheid van klinische en statistische heterogeniteit.

    Waar komt Staphylococcus aureus voor?

    Staphylococcus aureus ( S. aureus ) is één van de meest voorkomende bacteriën op de huid en in de neus van mensen en dieren. Hoewel meestal onschuldig voor de mens, veroorzaakt deze bacterie bij het doorbreken van de huidbarrière (ernstige) infecties. Soms is ze betrokken bij uitbraken van voedselvergiftigingen.

    1. Methicilline-resistente S.
    2. Aureus ( MRSA ) vormt een groot probleem binnen de gezondheidszorg.
    3. Staphylococcus aureus (S.
    4. Aureus) is een veelvoorkomende bacterie op de huid en slijmvliezen van de mens.
    5. Zo’n 20-30% van de mensen zijn drager van deze bacterie.
    6. Hoewel meestal onschuldig voor de mens, veroorzaakt deze bacterie bij het doorbreken van de huidbarrière (ernstige) infecties.

    Ook dieren (b.v. vee, schapen, geiten) kunnen een S. aureus infectie oplopen op injectieplaatsen of in het geval van uierontsteking. Bij varkens komt S. aureus voornamelijk voor op de huid rond de snuit en de ogen. Wanneer de bacterie Staphylococcus aureus ongevoelig (resistent) wordt voor de behandeling met bepaalde antibiotica, waaronder methicilline, spreken we van methicilline resistente Staphylococcus aureus of kortweg MRSA,S.

    1. Aureus, en MRSA in het bijzonder, kunnen aanleiding geven tot een verscheidenheid aan problemen, gaande van huidinfecties tot longontstekingen en bloedstroominfecties.
    2. Iedereen kan een S.
    3. Aureus infectie ontwikkelen, hoewel bepaalde bevolkingsgroepen gevoeliger zijn, zoals personen met chronische aandoeningen (diabetes, kanker, hart- en vaatziekten, eczeem, longziekten).

    In de gezondheidszorg is het risico op een ernstige S. aureus infectie groter omdat het immuunsysteem van patiënten verzwakt is, of omwille van het doorbreken van de huidbarrière tijdens heelkundige ingrepen of (intraveneuze) katheters. In zorginstellingen wordt MRSA meestal overgedragen via direct contact met een geïnfecteerde wonde of via besmette handen, bijvoorbeeld door onvoldoende handhygiëne van zorgverleners.

    Asymptomatische dragers (personen die drager zijn van de bacterie maar geen tekens en symptomen van een infectie vertonen) kunnen eveneens de bacterie overdragen op andere personen. MRSA -infecties in zorginstellingen kunnen teruggedrongen en voorkomen worden via een combinatie van acties. De belangrijkste maatregel daarbij is handhygiëne, namelijk de juiste handhygiënetechniek (handen ontsmetten en/of wassen) op het juiste moment toepassen.

    Verder kan het vroegtijdig herkennen van MRSA -dragers (via screening) en het dekoloniseren van deze dragers (= deze personen vrij van MRSA proberen te krijgen via ontsmettende baden) helpen om verdere verspreiding te voorkomen. Als een patiënt positief test voor MRSA, wordt aan het zorgpersoneel gevraagd om handschoenen en/of een schort te dragen bij bepaalde zorghandelingen.

    • Aan de artsen wordt gevraagd om voorzichtiger met antibiotica om te springen.
    • Voedselvergiftigingen veroorzaakt door “coagulase-positieve stafylokokken” behoren tot de meest gerapporteerde voedselgebonden uitbraken in de Europese Unie (zie EFSA -rapporten ).
    • Die zijn het gevolg van de productie van stafylokokken enterotoxines in levensmiddelen door deze bacterie.

    Een intoxicatie met stafylokokken enterotoxines heeft een typische incubatietijd van 2-7 uur, maar soms treden symptomen al 30 minuten na consumptie van een besmet voedingsmiddel op. Een dergelijke vergiftiging wordt gekenmerkt door onder meer braken, misselijkheid, maagkrampen en in sommige gevallen ook diarree.

    • De ernst van de symptomen hangt af van de hoeveelheid ingenomen toxine, de gezondheidstoestand van het individu maar ook het toxine-type.
    • Meestal herstellen de patiënten snel en verdwijnen de symptomen binnen de 12 uur, maar voor gevoelige personen (kinderen, ouderen, zwangeren en personen met immuniteitsproblemen) kan hospitalisatie nodig zijn.

    In uitzonderlijke gevallen kan een voedselvergiftiging door S. aureus een dodelijke afloop kennen. Mensen kunnen drager zijn van coagulase-positieve stafylokokken ( CPS ) en zo voeding besmetten tijdens de bereiding. CPS kunnen ook aanwezig zijn in niet-gepasteurizeerde melk en kaas (-producten) door het gebruik van besmette melk van dieren (rundvee, schapen, geiten) met uierontsteking.

    Mede door hun resistentie aan hoge zoutconcentraties, kunnen deze bacteriën overleven en uitgroeien in diverse levensmiddelen. Het is net tijdens die uitgroei dat de bacterie “stafylokokken enterotoxines” produceert. Hoewel CPS wordt afgedood door verhitten, weerstaan de toxines die behandeling, en blijven ze aanwezig en actief in het levensmiddel.

    Instructies om S. aureus intoxicaties te voorkomen:

    was de handen nauwgezet alvorens voeding aan te raken en te bereiden bereid geen voeding wanneer je ziek bent in het geval van wonden op handen of polsen, draag handschoenen tijdens de bereiding van voeding indien voeding meer dan 2u bewaard moet worden, bewaar warme voeding warm (>60°C) en koude voeding koud (<4°C) zorg voor een zo kort mogelijke koelingstijd van bereide voeding.

    Sciensano doet onderzoek naar de aanwezigheid van S. aureus, voornamelijk coagulase-positieve stafylokokken, in onze voeding en volgt de evoluties daarin nauwgezet op. Op basis daarvan ontwikkelen we nieuwe detectie- en typeringsmethoden. Daarnaast coördineren we ook de nationale surveillance van methicillineresistente Staphylococcus aureus ( MRSA ) in ziekenhuizen en zorginstellingen, en monitoren we MRSA bij varkens, kippen en runderen.